nr_279

Disclaimer

Hieronder is een vertaalde tekst in originele vorm (schrijfwijze naar typletters) en in moderne vorm te lezen. Beide vertalingen zijn grotendeels tot stand gekomen door gebruik te maken van AI computersystemen. Dit levert een ogenschijnlijk goed resultaat op, maar er moet in gedachten gehouden worden dat deze systemen niet foutloos zijn. De grove lijnen van de teksten zijn goed (voor zover ik heb kunnen controleren), maar in de details kunnen fouten schuilgaan. Houdt hier dus rekening mee en controleer eventueel zelf deze details. Oorspronkelijke bronnen kunnen desgewenst via info@hartstreek.nl opgevraagd worden.

Door de enorme hoeveelheid archiefmateriaal is een complete controle van inhoudelijke fouten nagenoeg onmogelijk, zonder dat dit resulteert in een zeer grote vertraging van dit vertaalproject. Vandaar mijn keuze deze bronnen inclusief eventuele gebreken beschikbaar te stellen.

Acte van openbare aanbesteding door dijkgraaf en heemraden van het maken van een boven- en middelmolen volgens bestek van Jan Adriaensz. Leechwater van 1637. 1641

Anno – 1637 den 22en Meij

Paragraaf 1.1
Besteck ofte seertien naer na die heeren hooftingelanden, Dyckgraeff ende heemraed van Starnmeer besteden willen verscheyden agtcante water – Molens, op condytie ende voorwaerde als volcht, ende dat op Rijpse hout voeten ende duymen, te weten 12 duijm, een voet

Paragraaf 1.2
Inden eersten Sal den Aannemer ghehouden weesen temaken ende televeren Alle het houtwerck enl saendernten dien ende Arbeytsloon ende dat op sijn eijgen costen

Paragraaf 1.3
Den Molen sal onder wijt wesen twee drie endertigh voeten nade strekel temeten, teweten nade buytencanten vande stylen, ende boven sallen molen wijt wesen twintig voet ende acht duym nade buytencant vande cuyt lemsten daer op sullen die buytencanten vande stylen gelijck die binnencant vande cuyt staen

Paragraaf 1.4
Die acht stylen sullen elck lanck wese, twee endartigs voet behalven die pennen, sullen gende buyten syden beden holle bochten hebben, om dat die Roeden vrij van het vn sullen mogen gaen, yder bocht sal wesen acht duijm off daer omtrent, behalven die clamp, die boten aende styl geslagen sal werden

Paragraaf 1.5
Die voorschste Stylen sullen onder elck dick wesen sestien duijm viercant, ende boven twalef duijm viercant, met blockeels op die stylen elck lanck twee voet vyff duijm ende dartien duijm dick int viercant met noch aen aen yder styl een clamp ofte cloot dick ses duym, te wet die clamp ende styl achtien duym tesamen, lanck vyff voet, so breet als die stijl, met een pen int blockeel ghewrocht ende genagelt, mede op een tant aene stijl ghespijkert ende vast genagelt naden eys vant werck, ende men sal den Molen op rechten ende setten dat die boven balken vande benedenste balcken, dien eeg scheprat comen, om het scheprat tebeter uyt den water loop temogen wijnden.

Paragraaf 1.6
Item die seven onderste tafelment stucke elck breet wesen vijftien duijm, dick negen duijm, lanck naden eys dat daer bequame ooren aende eynde mogen comen / ende onder dese tafelmen – menten salmen op yder pylaer een muerplaet leggen, so breet als die pylaer, dick vier duym, Dat tafelment stuck, dat achter het scheprat coomt sal een voet bocht hebben, Die plylaers sullen drie voet boven die water loop comen, ofte so veel min ofe meer alsmen int stellen ordyneren sal.

Paragraaf 1.7
Die bovenste tafelmenten sullen elck dick wesen sestalf duym ende sestien duijm breet, lanck naden eys elck drie duym bocht so wel binnen als buyte.

Paragraaf 1.8
Die vloerstucken die op het bovenste tafelment sulle leggen, sullen dick ere vierdalf duijm, ende viert duijm breet, wel opdie tafelmenten gevoecht, genagelt ende gesloten het stuycken vande vloer stucken sal op het minste drie voet overde blockeels heen lopen ende styfte, ende beste werck temaken –

Paragraaf 1.9
Die Rol-ring sal breet wesen dartien duym dick vierdalf duijm, daer in salmen wercken, vierendartigh rollen van goet drooch frans ypen hout, sullen lanck ende hooch wesen acht duijm, de Rollen wel verdeelt dat daer gheen Rollen dicht aende enden vande Rolring stucken en ramen, omdie Rolring, niet te verswacken.

Paragraaf 1.10
Item die bovenste Ringstucken sullen rontom dick wesen acht duym, so wel kende synen als onder die voechhouten ende twalef duijm breet, behalven het achterste suck daer men die Rollen uyt ende insteecke, sal breet wesen Sestien duijm, dese Ringstucken salmen met haecklatschen aen Malcanderen maken yder las sal lanck wesen ophet minste anderhalf voet, ende yder las mede met twee ghefloten,

Paragraaf 1.11
Een Mr timmermen sal gsehonden wesen en tepas brengen dat daer geen lassthen onder die voeghoute encomen, welcke lassthen opser minsz drie voet voorbij die voechhouten sullen moeten schieten

Paragraaf 1.12
Item die Cuyp sal dick wesen vyff duym ende sestien duijm breet ofte hooch, daer in salmen gheen keerschijven maken, die voechouten die daer op comen salmen die swalusteert ofe voorleege diep hepen anderhalf duym drie lastsen binnen aende Cuyp, ende bujten aende sing stucken salmen gelyck ende ejfen efstele, end die beven sing ende Poling sullen jeer syn drie quartier duijm spelens hebb, ende meer met Item die bovenste balcken sulen lanck wesen naden eys duk int mieden tmetn eeduijm vierrmt, en „ boven cante vande sesve balcken sullen leggen vyff voer en halff beneden die bovenrant vande blickeels —

Paragraaf 1.13
Die bevenste Insels van gelyck soochte ondie selver daer op te leggen, het oleer salumn salen maken van goede desen men vibben daer omer naet ejs van werck —

Paragraaf 1.14
die bevenste Carbiels sullen lanck westen sestalff vier behalven die pennen, dich gelyk die balken ten die onderste balken sullen lanch wesen nae wjs dich int midden tmete dartie dujnm vierrant die bevenranten sullen soorsleggn ujt het onderste— tafelment sestie voer, die onderste garbiels van dien sullen lanch wesen sevendalff voet behalven die pennen, soenk int vierrant als die balcken — die voorsch balken sullen altesamen werckelyck in malrander gewrocht weren jder keep tweduijn een halff

Paragraaf 1.15
Die Richels sullen dick wesen ses duym viercaur, ende in elcke velz sullen westen vier Richels, Die ondercanten vande benedenste Richels sullen ses voer ende drie duynen hooch leggen uyt die bovencant vant onderste tafeluent lanck naden eys, ende inde plaets voor en achten her seprat daer geen tafelmenten encoomen salmen die enselbnegen duym dick maken int viercant, beyde eynden niet swatusteerten ingewrocht ende starck gespykert daer van desen troe voorschen Richels op oelck ende Richel achter her scheprat acht duym bocht sullen hebben, voort vry gaen vant scheprat, die grote Richelsvoort en achter het scheprat sallen even hoochleggen als d’andere Ruhels, Die Richels alresamen wel verdeek omdie kruysen niet verack te maken

In de kantlijn bij bovenstaande: & mede mr elcken nier een bout geslote

Paragraaf 1.16
Die Cruysbanden sullen breer wesen ses duym ende dick vijff duijm, in yder velt vier cruysbanden Die ond erste eynden sullen comen vierdalff voer van tafelmeur, ende die bovenste eynden sullen met meer als acht duym vande bovenste Richels comen die Middelste eynde sullen met meer als acht duyn van Malcander syn welverstaende die ondersse cruysbande aen even het scheprat sullen d’onder eynden effen boven donderste Richels blyven, men sal uit midden vande velden stutten op ende neer setten voort schudden vant Regt van vierdalff duym viercant omdre latten aen leppykeren

Paragraaf 1.17
Aen sal twe vensterkes boven in den molen Mahia van delen om uyt te sien naden euiz ende noch salmen beven onder die cuyp in ijser velt een waterborz maken aen de blockeels met klampen gespykert, om over Riet heen te wateren, sullen aengebrocht werden als den molen gedeckt is, die selve sullen van plancken syn die bequame dickte hebben breet festien duijm

Paragraaf 1.18
Die sluncarbiels die onder die bovenste tafelmente sullen comen, Sullen lanck westen vyff voer behalven die pennem, dick ses duijm viercant

Paragraaf 1.19
Die voechhouten sullen se lanck dresen dat die binnen can- vande Vriur peulu tweduyn buyten die buijtencant vande kuyt sal comen ende d’achtereynde solanck dat die coveleute balck, die binnen cant gelyck die buijtencant vande cuijt coomt die voorschen voeghouten van binnen mer bequame bochten om her wiel ende vangbequa melyck temogen stellen die bocht niet te weynich die veechhouten sullen opt swaer eynd dick wesen sestien duym viercant, ende op het licht ende tien duijm viercant, sullen voor doat nauwer leggen als achter, omde corcheijt vande toincipenlu voor ende van onderen met een behoorlycke rond geroch

Paragraaf 1.20
Die xyz peulu sal sal lanck doesten na den eys dick sestien duym viercant ende onder die winl peulu fahme een waterbort maken van een planck due twe duym dick salfyn, Sobreet dat tselve bevele die Cuijphangen mich voor in erateren, stende voechhouten niet clampen gespykert die dant peulu sal een ereynich incanten voort snypen vanden as

Paragraaf 1.21
Noch salmen salmen malien een steunder onder die winnen peulu met een balckjen recht voor enel om her achterend daer onder te besetten die steunder saldick Gefen negen duijm, breet ende lanck naden eijs op die ring gevecht, ende van voren met een rond of Egijff gewrocht, dat balckjen sal dick wesen negen duijm viercant met lippen opdre wechhouten wel starck gespykert, Salso achterlyck leggen dat die aenen van viel tweduyn vrijgaen ende meer amer

Paragraaf 1.22
Die penbalch sal dick daesen vyftien duijm viercant met een meerhangende bocht, niet te weynich, om dat die roeden vrij vant dack sullen mogen gaen lanck na den eys ene selve saluen so dicht achter aende zuig overcken Alst immers doenlyck is Oindie langte vanden sts. debesontum Die IJserbalch saldick wesen elleff duym viercan lanck naden eys met een neer hangende bocht van vier duijm/ om dat de as lebeter vande yserbalck vry salangen gaen

Paragraaf 1.23
Die Covelente balck Achter daer Cosyn opstaet, sal so lanck eresen dat die eynden elck vyff voer buyten die voechhouten sullen mogen comen, omdre schoren vande staent daer aen respynenen sal dick doesen elleff duijm viercant, met swalustaerten ofe voorloegen op die voech houten ingewrocht ende yder end hier een taeye bont door het voechhout welbeset, voor her uyt spuren vanden as, dat Achtense cosyn sal hooch ende wyt wesen dardalff viere die stylen dick vyftalff duyn viercant aen yder syd een schoor omdie sparren opte setten, met een balckjen opt cosyn na den eys

Paragraaf 1.24
Item die keerstylen voor aende Erste As sulle dick westen sevend alff duym viercant, welverstaet daerden as tegen aen gaet sal acht duijm viercant syn, Sullen so lanck wesen dat den is ende steen daer in leggen Mach, Mer noch twe off drie deeldichten onder den steen, die hoeck stylen vandien sullen dick desen sestalff duym viercant lanck na den eys die heerstyl daer den as tegen aengaen sal gestor werden met een Carbiel nade gelegentheyt van Doeuck, Dat balckjen dat op het costyn ofte keenstylen ley 2 sal dick daesten ses duyven / breer seven duym, lanck na den eys dat covelent salmen becleden me wagenschot, met een windt deur aende slincker sant ou nyt ende inte connen

Paragraaf 1.25
Item die spruyten vande cap sullen dick desen vyff duyns viercante mijder sijd negen spruyten, lanck nailen eijs / met Cromme Dromnten op die spruyken Omdre sparren op te setten die bequaem oversteken die buijtencant een halff voer buylen die buylencant vande cuyt, die erinnten dick vier duynen een halff ende seven duym breer ende inde vierde spruyt van Achteren Saluen aen ijder sijd een dicke starcke langhe spruyt leggen, van taey deventer hout sonder spinti Om die buytenste schoren vande staert aente spijleren ende vast temaken, Sullen dick wesen tien duijm viercant, van binnen met starcke pennen inde voechhouten gewrecht met voorloegen van een duym diep wel gesloten ende genagelt, ende opde Ring mede met voorloegen ofte swalustaerten, ende elck met uwe taeye bouts door die ring gesloten, ende noch met een taeye yseren beugel over die spruyten binnen aende Ring erel gespykert, bondich ende starck, dat tselve cruyden verdragen mach. Die grote spruyten sullen nyt steken buyten die cuijp acht voer, juijm veergenocht dar die schoren her dack meren sullen mogen raken

Paragraaf 1.26
Die Cap salmen maken van goede fyve boomse capra vens die wel getopt syn, mer syn behoorlycke nock lude gordingen, dat die cap niet verschieten en mach daer in te wercken twe starcke spanten van greven balckjes, die capravens salmen schillen Sullen van Malcander staen tien duym Ende meer niet, Die Nock achter een weynich lager, als voor, omt fatse en vande cap, die cap salmen latten met swarte latten, sullen die boven canten tien duym van Malcander leggen ende Meer niet, het voor cevelent vande covelente balck ien off salmen met deken becleden dwars over Mahande wel gespijkert, ende aende syden evensekende Om her Riet achter te Eusten

Paragraaf 1.27
en dese voorsch Cap salmen een bequame staert Maken datmen den molen beneden cruyden mach Altesamen van het beste grenen houw sonder spynt dat staertstuck sal so lanck westen dat het boven Alen voer bovende covelente brlck comen moch, ende onder op twe voet na aende waterloop dat selve temalien van een oude ofte nieuwe Mast, viercan bereydt, die soecken een duyn off anderhalff int plat off gebalfoent Salonder breet westen viertien duijm ende elleff duyn dick, welverstaende achter daerop Dindres coomt, salmen een cluyt ofte stuck aen laten van vier duym dick, ende boven sal din staertstuck dick erresen negen duijm ende elleff duym breet met een keep opde covelente batck wel vast besorckt.

Paragraaf 1.28
Die buyten schoren schoren sullen dick westen seven duyn, ende acht duijm breet, ende sullen so lanck wesen datse onder op vier voer na aent erindaes Mogen comen, ende boven een voer bovende grote spruyten dat tselve sonder peryckel sal syn dat die schoren het dack sullen mogen raken Op die beste wyse onder ende boven welbondich vast gemaeckt ende ghespij kert, men taeye spijkers boven met kepen op die grote spruijten, het ende een vande schoren een voerbeven de spruyt

Paragraaf 1.29
Die binnenste schoren sullen lanck westen na den eijs dick seven duym viercanen, mede welvast gemaeckt ende besorcht, die staert sal onderluchtich van den Molen off-dryven, dinden molen te beter te cruyden

Paragraaf 1.30
daer aen salmen maken een starck vrundaes van twee eycken hout, waer van het Ronde eyne dick sal wegende seven duym, dwars overtemeten lanck na den eys het hooft sestant, met ses spaken van taeye berkoem teweten drie spaken doorstekende buyten Malcander die Middelste spaeck sal recht wesen, ende die buijtenste met een binnen bocht, ende die bumeusten met een buyten bocht, ende die alle ses eynden aen Malcander welstarck verbonden dat tselve cruyden verdragen mach, die spaken sullen lancke wesen vande hooft vant windaes off vierdalff voer, ende die onder eynden sullen negen duijm boven de waterloop dryven ende meer niet noch salmen ter bequameer plaetse inde Molenworff setten, twaleff bequame eycken cruydpaken lanck ende dick naden eys die boven eynden so herch bovende vorff als tselve vereyschen sal

Paragraaf 1.31
Item die Grote As sal lanck doesen na den eys sal dick wesen inde hals twe voer ende vier duijm Alude het achter-eynd twintich duijm dick, die hals dartien duym lanck, ende tusschen die hals ende Roedgaten vyff duyn her hooft vanden as, vande hals off viercant, die roedgaten wyt dartien duym ende lanck vyftien duym een halff het hooft lanck den ende twintich duym vant voorste Roedgat off begalven die walppen te nieten, achter met een halspen gemaeckt Op de maniere vande beense moleus, den as voor ende achter het erich een weynicht gebalfoent voor vier duyn int plat ende achter wat minder, ende sal het achtereijnd tegen een metalen plaet aenlopen

Paragraaf 1.32
Item men sal maken staecke jaeije grenen Roeden van Masten, mer bequame segen ofte bochten pansepael die binnen Roed, Sullen so lanck wesen datse een halff voer bovende eraterloop gaen, ende meer niet, Sullen dick westen meen as twaleff duyn een halff ende breet tegende wint aen vyftien duijm, Sullen acht voer vanden as off niet meer als een halff duijm verdinnen Einde die selve Mer goede proportie gemaeckt naser eyndtoe, Gheboort met een bequame schoot, wel verstaende boven na den as toe mede so veel schoor als die hecken velen mogen vant vrygaen vande douir peulu / prinse pael die buijten Roed / onder na het eynd toe met een behoorlycke schoot, So dat den Meester timmerman daer een ende prys van hebben man

Paragraaf 1.33
Die hecken salmen Mahien van goede tauxe styve capravens die wel getopt sijn lanck negen voet met vier somen aen yder end, die voor eynden vande hecken met lanck, om het lichte draeyen voor den Molen, yder ende sal hebben vier stancke stormsecken van bercoenen, met bengels welbesorcht Die latten vanden molen salmen mele van doorsaechde capravens maken, die geschilt syn, dwars overde styken ende cruysbanden ghespykert, die midden vande latten sullen tien duym van Malcander leggen ende meer niet.

vant gaende werck

Paragraaf 2.1
Dat boven wiel sal groot wesen naden strekel genieten negen voer ende negen duijm – Met acht ende viertich cammen daer in van goet drooch taeij mispelen hout, met een goede starcke vang op dat drieb van goet doitgen hout, met een starcke lip na advy nant die lip viertien duijm viercant lanck na den eys die vang-stucken breer twaleff duijm, dick ses duyn met twe stucken, ende meer niet, die leden wel starck gesloten, met een vangstock aen achterste lidt Omden vang op ende neer te leggen, datmen den Molen daer mede houwen ende deringen mach

Paragraaf 2.2
Een sal maken vier armen Ouden As aent voorsch wiel, sullen elck dick wesen ses duijm, breet vier tien duym lanck na den eijs, die plooyen sullen dick dorfen seven duym, breet acht entwintich duynen, die vellingen sullen dick wesen vier duijm een halff, breet tien duym, van goet drooch ongewossen ypen hout Mer ses vellingen om, doel min, maer met meer die voorsch vellingen die buyten, canz een duym inner ende die, achter canten ghe in a plat gebalfrent bayl foem nabehoren

Paragraaf 2.3
Item dat bovenste schyfloop salmen maken in fatsoe ghelyck een wiel, met halve staven, Achtentwintich staven mr getal, welcke staven met nesten indie vellingen geset sullen werden van een duym diep, ende het onder lyfft in Manieren gelyck een caus Die vier Armen sullen elck dick wesen vyff duyn breet een voer, lanck naden eys, die plooyen dick seven duym, breer achtien duym, teweten so breet dat se op vier duynn na aende vraven mogen comme die vellingen sullen breet wesen tien duynen, ende vyftalje duym dick, van goet drooch omgewossen ijpen hout in vijven ofte sesen om, ende meer niet, die voorsch twee Vellingh sullen die buijtencan duynen int plat gebalfaent werden. Ende die binnen canten nabehooren

Paragraaf 2.4
Dat onder-wiel sal groot wesen naden strekel te meten vyftien voer drie duym, Mer acht en vijftich drogh goede taeye Appelbomen cammen daer die cammer van beyde wiels saluen schreden als die wuels eerst wel Recht gehangen ende gestelt syn, ende daer na welperfeckt op haren steeck verlesen tot welstan- vant gaende werck, ende tot loff ende prys vande Mr timmerman.

Paragraaf 2.5
Die Armen vant voorsch wiel sullen dick doesten lauck wordes eys acht duyns, ende seventien duijm breet die plooijen vandien sullen dick westen seven duynen, ende breet drie voet twe duijm, yder plooy sal ses duijm bocht moeten hebben, die vellingen sullen breer wesen een voer, dick vyffduym in sessen om wel min maer meer Meer, van goet ongewossen eycken hout, die armen van beyde vriels salmen behoorlyck van achteren off sumyten

Paragraaf 2.6
Dat onderste schyfloop salmen maken van goet droochijpen hout die schyfplaten sullen dick wesen ses duijven daer in salmen maken twintich staven van gaet drooch taey misceken hout die staven sullen lanck westen twe voet drie duijm

Paragraaf 2.7
Item die cammen van beyde wiels sullen so lanck westen datse achten die vriels genagelt ende gesloten mogen werden, desgelyckx mede vant halve tsyfloop van onderen genagelt, die cammen ende canigaten sullen achter die hoofden viercant gemaeckt werden Die cammen ende hoofden vande cammen sullen so dick ende breet wesen als die mallien ende patronen daerinne den Mere timmerman daer van leveren sal, desgelyckx mele die staven, ende men sal met meer waen aende hoofden vande cammen mogen laten, als een halff duijm of e anders gemaeckt synde sullen die beseders die selve mogen uyt keuren ofte doen uijt keuren, ende verraeckbaer syn, ende dat by luyden hendies verstaende, So veldie boven cammen als onder

Paragraaf 2.8
Item die canigaten van beyde wels salmen recht in die wiels wercken, welverstaende tersyden even schoon, ende die voor canten sullen een halff duynen achter over hangen opde die dickte vant wiel Die halve staven Recht op te maken die buijtenganten vande cammen ofte canigaten, sullen drie duijm een halve vande cant van vrieb syn ende vande halve

Paragraaf 2.9
Noch wert ghecondytwueert ende expresselyck ondersproken dat Alle die Aennemers van desen Moleus ghehouden sullen westen Alle die gaende wercken perfeckt op het besteck te maken, sonder een cam min ofte meer Oofe een staff off Ope toete doen ende men sal die Mev Timmerluyden leveren Dijameters ofte strekels tot hare wiets, Mer patro nen vande cammen ende staven, Sonder datmen hen werck eenichsins sal mogen veranderen, Opde verbeurte vant gemaeckte werck, als den aenne Mer in faute bevonden sal werden, Desgelyckx mede den romp van den Molen, het scheprat die waterloop Ofte eenichdunck dat den molen aengaet Gheen meu wicheyt stellen ofte verandering sullen mogen in brengen volgende dese lyste Opde verbeurte als voren verhaek is, Op datum hier na Alle die Molent gemacklyck, lichter ende beter sullen mogen onder souwen ende betimmeren.
– Seback

Paragraaf 2.10
Item die Back daert Onder wiel in gaen sal groot wesen naden eys vant wiel, schrochen dat die wateras daer effen van draeyen mach sal onder tegent Dorel ende back tien duynen speleus hebben, die plancken vandien sullen dick wesen vyff drie duynen, ende sal boven binnens werck wyt wesen vyftalff voet, ende oock met wyder noch nauwer, met vier hoeckstijlen naden eys vant wegende elck dick ses duynen viercant, die plancken weldich op malcander gestreken welvast besorchende ghespijkert, aende binnen syde gheprigt van een scheeft maker die kennisse vant werck heeft, mede gepreeckt Die back sulmen wel stutten ende besorgen dat die selve niet bysten en mach ende aen elcke buijten syde drie besten maken, weldicht aende plancken gevoert ende genagetz voort verschieten vande plancken. Die besten dick drie duym, breet vyff duynen of broeder, die bodem sal bruler weesen drie voet, ende dick vyftalff duijm die hoeckstijlen met pennen ende gaten in de bodem gewrocht, met een pomp inde back, ende een gotge daermen in pompt Die back van buijten met delen te voeren, op ende uier, tegende kosten in ende so den bodem van twe stucken gemaeckt doert salmen die meile van binnen priggen ende van buijten tingelen

Paragraaf 2.11
Item die Spil sal dick wesen sestien duym vier cant int Midden temeten lanck na den eys vant werck, die eynde daer die crone aen comen sullen dick wesen viertien duym viercant, Men sal twe starcke cromen aende spil overcken na behoren die veren vande cromen sullen niet tecort gemaeckt werden maer aende langersamt

Paragraaf 2.12
Die stoelbalch sal lanck westen sestien voor brieet vyftien duijm ende dick dartien duyen, die stoel sal seven duym vant wiel off hangen, Onnde grootheyt vant shyfloop, dat calff ofte bovenste hooft sal lanck wesen ses voer een halff dick een vaer breet seventien duym, met een worvel daer op na den eys vant werck, met een poortgen overgesloten om die spil off ende aen tesetten

Paragraaf 2.13
Die styken vande stoel sullen dick wesen dartien duijm viercant, lanck tegende borsten vierdalff voet, So dat die wateras daerin draeyen ende steen daer bequamelyck in machleggen die stylen sullen die binnen canten van malcander staen dardalff er voet, die steertstucken sullen lanck wesen acht voer met swatusteerten op ende inde stoelbalck gewacst dick acht duym breet viertien duijm, men sal die stijken vande stoel onder ende boven met dobbelde pennen ende sre gaten maken, met vier Carbiels aen de stoel elck dicherende Alleff duijm viercant, lanck na den eys, weltersteeck molen gewrocht onder ende boven op tanden, mede wel vast gemaeckt ende besorcht.

Paragraaf 2.14
Item die wateras saldick wesen achtien duijm viercant, So lanck dat de steen wel vry vande waterloop leggen mach, ende d’andere steen bequamelycke inde stoel, beyde eynde saluen met hals penne Maken, Die pennen so lanck dat die tsenen op vier duyn na aende eynden comen desgelyckx mede die achter pen vande grote as die halsen altesamen dick sestien duym, wel reut geschrood, het spasy tegende sijenen salmen so brieven maken als die scheenen breez syn die hals vande grote as salmen so soper Bout schrode, alst doenlyck is, omdie styfe te be souwen, ende off daer cleyne platte steden inde hals quamen dat selve salmen schicken dat daer schemen op comen te leggen ende onder het eynde vande waeras bijt Jheprat salmen een block leggen daer den steen Erst, t’selve wel te besorgen.

Vant Scheprat

Paragraaf 3.1
Item het scheprat sal groot wese, twintich voor nade strekel temeten, ende sestien duym breet, die armen vant voorsch scheprat stille dick wesen opt swaer eynd acht duynen, ende op het lichte ende vier duijm, die swaertstucken sullen so breet wesen als die armen, Op beyde syden met lippen in gewrocht, sullen tegen malcandere aen comen sullen dick wesen seven duijm, lanck na den eys Die spruyten sullen dick wesen opt swaer ende vierdalff duynen, ende opt licht ende tweduynen in yder vierendeel seven spruyten mede alt samen sestien duym breet die banden ofte gordingen sal men mer bequame segen ofte bochten maken, van omgewossen hout, Sullen dick westen tweduynen den halff, breet vyff duijm dit voorschen scheprat saluen altesamen met dobbelle pennen ende gaten maken, die pennen vry wat door selveule dat men die selve van achtenen nagelen mach

Vande Water-Loop

Paragraaf 4.1
Die stylen vande waterdeur cosyn sullen dick wesen vier tien duijm viercant, sullen even lanck wesen als die stutten mer starcke dobbelde pennen ende gaten onder ende boven gewrocht, Onder inde drempen van buyten met een tant, voort sporen vande aerde, ende toe sygen van waterloop, die drempel daer die stylen instien sullen sal breet wesen seventien duym, dick tien duijm, so lanck dat daer buyten yder end een oorblyven mach van vyftien duym lanck, voort uijtfolijten vande gaten, dat cosijn sal doyt wesen twe entwintich duijm, Oofte so wyr alst aent Scheprat vereyschen sal dat daer aen yder syde vant scheprat een duym spelens blyft ofte op her aldermeeste een duijm ende een quartier, Als alle samen gemaeckt, die waterloop van binnen gevoert ende gestelt sal syn.

Paragraaf 4.2
Noch salmen aendit voorsch cosyn een starcke waterdeur maken van een stuck inde breete naden eys vant werck her onderste hengsel sal een duijm ofte anderhalff werder opde stylstaen, als boven, om het toevallen vande voors deur, die deur met drie clampen weldicht gevoechen Dese voorschen deur sal acht duym hooger wesen, Als die bovencant vande sloven, ende die boven binnen cant vande deur salmen van binnen off balfoenen, omt vry gaen vant scheprat.

Paragraaf 4.3
Item men sal die waterloop aen beyde syden van binnen voeren ende verdobbelen daerz scheprat gaen sal beginnende vande wateras off, byde Rysing op tot buyten aent cosyn toe, vierhalf duym hoger als die bovencant vande sloven, die plancken sullen op ende neer staen sullen dick westen tweduijm, dicht aen Malcander ghe Dorocht, ende recht ende effen op een Rijbereyt, die eerste planck onder die wateras salschoyen aff ghe balfoent werden out in schieten vant water, die voorsch plancken sullen met lippen tegende Rysing in ende met borsten op die rysing comen voort off gaen vande plancken ende opgaen vande Rijsing, welver staende dat die rysing aen yder sijd een duyn smalder sal westen Als die waterloop evijl is, Allesame dreh gespyleren ende wel besorche. Die hoofden van spijkers ingedopt tot welstant vaudien

Paragraaf 4.4
Noch salmen dese voorsch waterloop van buyten byt costyn tot twe plaetsen wel besorgen met paling plaucken voort om ende door lecken van water, ende hen cosyn mede vorbuijten weldich maken Desgelyckx Mele onder het cosyn van buyten tegende drempel aen inden gront welbesetten ijder sijd een halff voer veerder als die drempel lanck is, met grenen plancke die vyff vier lanck syn, ende dandalff duym droh onder ghescherpt, ende in Malcander geploecht boven aen de drempel wel gespykert, dit alles so wel te besetten ende tebesorgen als immers daenlyck is voorzonder schieten ende doorlecken van de water sonder met den lichten daer vante scheyden Noch mede recht voorde back vande waterloop off, na inde molen toe, tot nabyde stoel met halve noortste deelen in de gront teslaen onder gescherpt dobbeld overde norden heer, mele wel te besetten als voren verhaelt is.

Paragraaf 4.5
Item die diepte vande waterloop onder het scheprat saldiep dresten Acht voet ses duijm vande binnenste bodem off tot aen de boven cant vande sloven dat scheprat sal drie voet ende drie duyn int Quater gaen Op het laechste water ofef veel min ofte meer alfuren into stollen ordyneren sal ende byde besteders, goet gevonden sal doenen.

Paragraaf 4.6
Die Rysing sal hooch leggen vande binnenste bodem off drie voer een halff, met een ronde bocht uyt een crom stuck hout gesaecht, nade grote vant scheprat sal dick wesen vier duijm, ende breer nade ghe legentheyt vant werck van een stuck inde breete, dat calff daer die Rysing op comen sat, Saldiole wesen viertien duyen viercant, met pennen ende gaten tegende stijlen ingesloten voort toesygen vande cosyn

Paragraaf 4.7
Men sal die voorsch waterloop aent binnen ende buyten eynd vier duijm dieper leggen voort incomen clude uyt schieten vant water, welverstaende datmen die binnen waterloop aen beyde eynden even diep sal wercken, temeten vande boven cant van boden off tot die boven gant vande sloven toe Ende die voor waterloop salmen aent buyten ende vier duijm dieper maken als byde waterdeur ende die waterloop sal een duynen off anderhalff nabuyten overhangen, om dat het water langs die water as niet inde back en sal druypen

Paragraaf 4.8
Die waterloop saluen altesamen becheden met goede gâtre deventer plancken, sullen dick westen ses uyt een vaer tot deijnden vande sloven toe ende die van binnen aen gevoert sullen werden, sullende den euch twintich voor lauck westen daer het scheprat gaen sal, daer die aerde tegende back ende waterloop van binnen aen comt mede so dick als die voorgaende plancken, Allesamen welgecant recht, ende Recht gestreken, sonder spynt daer aen te laten mede welgevoecht ende welgespykert die plancken vande voor waterbet sullen met een sponding inde grote stoven stijken vant cosyn gewrocht werden, ende van achteren schoyen inde styken welgespykert ende besorght
Kanttekening: Desgelyckx mede avende buyten sijd vande exaterloop daer die pylaersen muer voornt daerdie wateras op heyr men so danyche plancae gevoert als vooren verhaelt is.

Paragraaf 4.9
Item die Grote sloven vande waterloop sullen dick wesen onder die wateras temeten dartien duijm viercant aende eynde welgetopt die selve sullen bequame borsten hebben, die bocht beginnende van Drateras off, die buijtenste slooff sal tien duijm bocht hebben, teweten een sijn getrocken ende dat inde kneep te nieten die binnenste slooft drie duijm bocht beyde sloven sullen elck tweduijm borst op waerts hebben, beginnende vande wateras off tot aent cosyn, omt off schieten vant water, Die voorsch sloven sullen lanck westen vier endartich voor, Mer een balckjen achter het scheprat tegende sloven in ende met lippen opde sloven voort te sygen vande Waterloop.

Paragraaf 4.10
Die voorsch sloven met hem sijn die stijlen vant cosyn salmen met spondinge maken daer die plancken in sullen comen ende in gespykert sull en werden ende voort salmen die ghehele waterloop met pennen ende gaten maken, ende alltesamen welshuyten ende nagelen.

Paragraaf 4.11
Item die stutten ofte stylen vande waterloop onder die sloven sullen Altesamen so welbinnen als buijten lanck wesen naden eys, ende dick stes duijm viercant A lude die canten sullen niet meer van Malcander staen als een voet, teweten daert scheprath gaen sal linde buyten ende binnen een halff voer wijder teweten anderhalff voer tusschen beyden.

Paragraaf 4.12
Die bespen ofte drempels die men verloren lippen ende mer swalusteerten op, in, ende boven gelycke die santstroken gewrocht sullen werden, Sullen altesamen lanck wesen na den eijs dick vyff duijm breet ses duym, Mer twe sant troken Sullen lanck wesen van hen eene eijnde voor de waterloop tot het ander, dick vyff duym, breet seven duijm, van gelycke bocht als die sloven, welverstaende men sal halff so veel kessen maken als stutten, ende dicht aent cosyn aen beyde syden noch een kesen, die santstroken vande achter waterloop, sullen met swalusteerten ende met lippen, boven op ende inde drempel gelycken gewrocht werden, omdie plancken mede vlack op die drempel te leggen ende te scuykeren die voorste santstroken salmen met lippen van buijten aende stijken vant cosyn wercken, ofte niet pennen ende gaten na den eys ende gelegentheyt vant werck.

Paragraaf 4.13
Die buyten sloven vande waterloop sullen lanck weesen ten vierentwintich voor behalven die lasschen, dick aent swaerend temeten tien duijm viercant aent buijten ende welgetopt, met lasssten buyten aende grote stoven gewrocht, boven gelyck die grote sloven Die buijtense borst vant lasten diep gekreept vier duijm Ende die binnenste slooff die buijtencant op twe duijm na gelyck die grote slooft, met een een weynich verloren lips om her las niet te verstoachen, que buyten waterloop sal aent buyten ende wyt westen ses voer, die bodem sal beneden het calff ofte Rysing leggen een voer ende drie duijm.

Paragraaf 4.14
Den Aennemer sal ghesonden toesten men beyde buijten syden vande grote sloven hellingen tematien van Carviel Plancken, dick tweduijm, weldicht gewrocht, die brete nade gelegentheyt vande pij laers, achter tot aende wateras toe, tot voorby die waterdeur heen, Om dat het water buyten tersyden sonder verhindering doel off schieten mach Die sthernten sullen vande hellingen off wycken, sobree als die Hellingen vallen mogen om her water te beter te mogen lassen, Sullen exeldicht daer op getorocst ende gevoecht werden, voort spillen vant water, met een langhe stroock van een weercloot inde cunnen heeck beset.

Paragraaf 4.15
Item Men sal int fouderen vande molen ende int setten vande waterloop daer wel op letten ende acht nemen datmen die waterloop, So veel naher midden van de Molen toe salbrengen Als immers doenlyck is, om dat het scheprat te beter ende vryen sal mogen gaen vant tafelment.

Paragraaf 4.16
Men sal twe schermten maken van goelesyve delen zyff so hooch als die bovencant vant scheprat, wel dicht genaeyt ende gespynent, die deken over Malcander geleyt, men sal die schermten beribben met vieren balckjes in het binnen schermin vande eene cant vande molen tot die ander naer eys.

Paragraaf 4.17
Noch salmen maken vyff balckjes overt binnen ende vande grote waterloop, ende vijff balcktes over die buyten waterloop, die binnen balckjes sullen ses duijm dick eresen, ende tien duijm breet, ende sullen met borsten tegende sloven in geheeft werden, die bevenant /sel deuyns hoge als die gelyck die sloven ende die buyten balckjes sullen mede met lippen boven op die sloven comen van vyttalff duijm dick, sullen altesamen, lanck westen dat die lippen gelyck die buyten cant vande sloven mogen comen, die buyten balckfes, sullen dick westen stes duijm, breet een voet Die selve balckpes salmen met plancken oversolderen ende die bruggen maken, het binnen eynd sal beginnen Recht achter het scheprat, ende het buyten eynd sal beginnen so veer vande water deur alst vereyschen sal die bringen sullen solanck wesen tot depunden vande sloven toe ende so bineet als die buyten cant vande sloven.

Paragraaf 4.18
Item dese Molen salmen Rontony becleden met goede suyven deken dwars over Malcanderen, in elcke velt een styl in midden van sestalff duijm viercant lanck na den eys mer den deken lyst daert Roet op rust met clampen daer onder, met twe bequame deuren om uyt ende integaen, die deurstijlen naden eys, met een deur om byt scheprat tecomen, met noch een deur voort scheprat omt lossen vant water, dese voorsch deuen sullen altesamen groot wesen na den eys ende ghe tegentheyt vant werck, sullen weldicht in malcander geploecht, die desen welgecautrecht mede wel genaeyt ende gespyleert, ende daer die camer comen sal, salmen die delen ende stutten met die onder eynden vande styken van binnen sthaven.

Paragraaf 4.19
Item die trapbomen sullen lanck wesen naden eys vant werck, die onderste ses duijm viercant van grenen hout, ende die bovenste vyff duijm viercant, die trappen lanck twe voer drie duijm tegende trapbomen in, breet vier duijm, dick twe duijm styff, met bequame kennen na behoren Die trappen sullen die bovencanten elleff duijm van Malcante der leggen ende meer niet, die voorschen trapbomen salmen so schoyen ende bequaem setten als die gelegentheyt mede brengen sal.

Paragraaf 4.20
Noch salmen inden Molen een camer maken met een bedstede daer in Omme logeren allesamen van goede droge deken van binnen geschaeft ende gecantracht die Richels na den eys vant werck.

Paragraaf 4.21
Dese camer salmen so wyl malien als hy vande stoel ende van het shyfloop vallen mach tot aende syden vande molen toe, ende mede bevloeren met droge deken gecantrecht met hebben daer onder vyff Ribben op de lanckze van een noortste deel, Die Ribben sullen dick wesen zes duijm viercant, lanck naer eijs die deken welgespykert, die hebben het eene eyne onder aen het tafelmen gespijlert, met een borst op geleept van tweduijm.

Paragraaf 4.22
Men sal mede dese camer oversolderen met droghe delen van ouderen geschaeft die solder sal hooch leggen die onder cant vande balckjes een halff voer soger als die beven canten vande onderste Richels/ vier balckjes op die lanckte van een noortste deel, die balchter dick seven duym viercant van grenen balcken gesaecht mede geschaeft, die solder in malcander geselvecht altesamen welgespykert, men sal mede in dese voorschen camer een deur maken ter bequamer plaetse met twe glas gaten ende een venster, noch salmen een Roochtgat maken inde plaets van een schoorsteen, met een souten pyp, met noch een vatebanck tot geryff vanden Molenaer, met een vuyster van vyff voer int viercant sal diep wesen tot over de staertstucken vande stoel Die balcke die onder inde muer ofe schoorsteen coomen salmen ende op diesteert vande stoel vervangen ende stutten, ende den muer vande schoorsteen salle mede op die staertstucken vande stoelfonderen.

Paragraaf 4.23
Item Alle die Nagels daer mede men die wercken sal sluyten, Sullen gemaeckt werden op haer behoorlycke dickte ende langte, vry wat doorstekende, op datum die Mach vijfseren, ende dat alle van goet, drooch’taen slachtich deventer eycken hout.

Paragraaf 4.24
Dese voorsch Molen salmen Altesamen op her beste maken met pennen ende gaten die wercken behoorlyck slupten Mede met swakistaerten, voorloegen, ende met syn be hoorlycke vriggen, weerckten ende woutermannen Sonder met den lichten daer van te scheyden, Alleher werck welke nagelen ende tespylieren/ voorn altelyck die Cruysbanden ende Richels, het welck is die prinse pate bant vande Molen, Alles tot goet contentement vande heeren besieders / ofte andere Mr. timmerluijden die by de besteders over het werck sullen werden gestelt contentement sal gedaen voerden inde Redelyckheyt na Alle behoren.

Paragraaf 4.25
Noch salden Aennemer ghehouden westen den Molen onder tebevloeren, vande camer off, tersyde, die back om, tot aen her sthermit toe, met hebben daer onder ende mede leuningen te maken tot bestheim van het Doral, ende bevryen van her volck ende Molenaer Den aennemer sal oock mede leveren vier halffenen onder beyde Assen vande beste, ende sal mede alle het ijser werck aende molen dienende nietelaten, ende aent slaer na alle beheren

Paragraaf 4.26
Item dese Molen saluen maken van goet gaeff, deventer hassels, swols, diesels ofte west faets eijcken hout behalven die balcken, carbuels Cruijsbanden, Richels spruijten vande cap ende spil, het werck men van andere goet eycken hout salmogen maken/ Als noorts, huijclix ofte yers hour, Sonder Rodtohn, vierich Raelspanigh Guredelyck spynt ofte waencant, noch geen moorts Et en hout.

Paragraaf 4.27
Alle het voorsch houtwerck sal genieten werden van langte, brete ende dickte volgende her besteck Met Ryper houtvoeten als voren verhaelt is teweten twaleff duijm in een voet, daer die beemster Molens op gemaeckt syn.

Paragraaf 4.28
Item ofte in dir voorsz besteck yet versuymt vergeten ofte met verhaek en waer, het welcke nochtans den molen nodich soude wesen, So sal den ovennemen ghesonden t’selve temaken, naden eijs voor landen everck, ende tot believen vande gecommiteerde daer toe gestelt, voor welcke over werck den evennemer nochtans geen buyten loon sal mogen eijschen ende so daer yets tecort gewrocht ware salmen t’selve corten.

Paragraaf 4.29
Item sodaer bevonden doende eenich quaet soutgeh Dorocht te westen met so danygh gebreken als voren verhaelt is, t’selve sullen die heeren beseders mogen uijt keuren ofte doen uyt keuren by luyden hen dies ver staende welcke hout Also uyt gekeurt synde sa als dan verbeurt sijn ende den stennemer sal wederom in plaetse vandien ander goet hout moeten maken Nota insout vant besteck, welcke opneminghe sulgefhie Op den Molenwerff vldaer den molen gerecht alsvoere tot welcke den Aennemer ghesonden sal westen den Mol te brengen ende te voeren.

Paragraaf 4.30
Den Aennemer sal ghehouden ernsten den molen te volmaken opterechten ende welganckbaer te levenen ende men harde ende slappe vomi den Molen een dacheff uwe tedoen gaen ende proeven ende dat binnen den tijt van den eerste Septembre Naest comende opde verbedeten van haer welk twaelfte ende alle her werck daer toe tedoen, mits condytie dat die heeren besteders den gront sullen doen heyen & voors metsele, ende geryff doen vande aerde opte greven ende het drooch houwe om den waterloop ende backen te setten ende testellen, ende byfante of ghebreke vande voorsch leveringhe op syn bestenden tijt salmen hem corten voor elcke dach

Paragraaf 4.30 kantlijn
poelden deel tweeck weeck vier ens twintich gulden See darde Noch Ses pont groot daer booven ende voorrts van toe besteden nae apparecht

Paragraaf 4.31
Item die beloofde penningen vande besedinghe salmen betalen op die paeyen namelyck den eersten paeij als het acht cant vanden Molen toeleyt ende die stijlen gepent syn die twede paey als den Molen gemaeckt ende ganckbaer opgsele vert is, ende die darde ende laeste paey Drie Maenten daer nae maentien daer na te vollen betaelt

Paragraaf 4.32
Elcke Aennemer sal ghehouden wesen op staende voer twe goede suffisante borgen te stellen tot discretie ende genoegen vande heeren besteders, voort volbrer gen ende loffbaerlyck opleveren ende maken van syn aengenomen molen de welcke staen ende verbonden sullen blyven als prinsepael Met Renon renonciatien vant beneficium ordinis, divisionis en pensionus, Sulckx dat die heeren besteders hare optie ende keur sullen mogen hebben so wel op die borgen als op de prinse pale s’ennemer.

Paragraaf 4.33
Item indien yemant geen borghe enconde stellen Sullen die heeren besteders den Molen vannieus mogen besteden, ende het gene meer uyt gelooft som mogen voerden salmen aenden ghebrelyghe versalen, ende gelt het minder sal hy geen profyt genieten. Den Aennemer sal gelevert werden een besteck van syn aengenomen molen daer hy herna sal Reguleren dinden Molen te maken, mits daer voor te betalen een Ryckx daelder

Paragraaf 5.1 Overeenkomst
1641 Den 22 Meij Is Aennemer geworden Crelie Albertsen Noordeynd van dee booven Molen ende een Middel molen ende heeft dee booven Moolen aengenomen ofte heeft daer van bedongen drie duijsent acht hondert Carolds guldens en vande middel molen bedongen ofte aengenomen ende vijfftich voor dee Somma van vijff ende tserentich Carolus guldens Meederen dat opt dit bynnende ende voorgelesen besteck en tot borgen zestelt Jan Willemsen hoeck hermester ende peent pietersen Int Noordeyns ende is byde aennemen ende synd borgen op dy te teyckent

Cornelis Alberts

Dit Ist by Jan Willemsen Hoeck selfs gestelt

Arent pieters


Tekst op losse papiertjes (vermoedelijk behorend ergen in tekst):
Den Aennemer sal mede ghesouden wesen, syn waterloop met den eersten op het spoedichste, binnen een Maent na de bestedinghe gereet temaken om die selve inte stellen, om alsdan den molen mogen fonderen, seyen ende Metseken na alle behoren, sonder eenige tyt te verletten

Item Men sal maken acht onder tafeluent stucken die welcke geen ooren en sullen hebben die deelen vande wees sullen buyten over die eynden lopen, ende sullen neer schieten tot op die muerplaet tot, tot bescherm vande voorsch tafelmenten voort in wateren die welcke mer starcke pennen en gaten in Malcander gewrocht sullen werden die buytencant vande gaten twe off dardalff duym gemisseert, wel bondich ghenagelt, die tafeluent stucken sullen elck breet wesen vyftien duym dick negen duym, uijtgesondert het tafel ment dat achter het scheprat leggen sal seventien duijm breer syn, altesamen lanck naden eijs, – volgende die Modelle daer van gemaeckt synde.

Gemoderniseerd


Akte van openbare aanbesteding door de dijkgraaf en heemraden voor het bouwen van een boven- en middelmolen volgens het bestek van Jan Adriaensz. Leechwater uit 1637. 1641

Anno 1637, 22 mei

Paragraaf 1.1
Bestek of beschrijving naar de heren hoogheemraden, dijkgraaf en heemraad van Starnmeer die verschillende achthoekige watermolens willen laten bouwen, onder voorwaarden zoals hieronder vermeld, en dat volgens de maatstaven van Rijpse hout, voet en duim, namelijk 12 duim is één voet.

Paragraaf 1.2
Ten eerste zal de aannemer verplicht zijn al het houtwerk en andere benodigdheden te maken en te leveren en voor het arbeidsloon te zorgen, op zijn eigen kosten.

Paragraaf 1.3
De molen zal aan de onderkant 32 voet breed zijn gemeten naar de buitenkanten van de stijlen, en boven zal de molen 20 voet en 8 duim breed zijn gemeten naar de buitenkant van de kuip waarin de stijlen gelijk aan de binnenkant van de kuip staan.

Paragraaf 1.4
De acht stijlen zullen elk 32 voet lang zijn, exclusief de pennen, en de buitenzijden zullen holle bochten hebben, zodat de roeden vrij kunnen bewegen, iedere bocht zal ongeveer 8 duim zijn, behalve de klem, die aan de stijl bevestigd zal worden.

Paragraaf 1.5
De voorste stijlen zullen onderaan elk 16 duim vierkant zijn, en bovenaan 12 duim vierkant, met blokken op de stijlen, elk 2 voet 5 duim lang en 13 duim dik vierkant met nog aan iedere stijl een klem of klos van 6 duim dik, dus de klem en stijl samen 18 duim, 5 voet lang, zo breed als de stijl, met een pen in het blok gemaakt en genageld, ook met een tand aan de stijl gespijkerd en vastgenageld volgens de eisen van het werk, en men zal de molen oprichten en plaatsen zodat de bovenbalken van de onderste balken, die het scheprad ondersteunen, het scheprad beter uit het water kunnen laten bewegen.

Paragraaf 1.6
De zeven onderste tafelstukken moeten elk 15 duim breed zijn, 9 duim dik en zo lang als nodig is om geschikte oren aan het einde te kunnen maken. Onder deze tafelstukken zal men op elke pijler een muurschijf leggen, zo breed als de pijler, 4 duim dik. Het tafelstuk dat achter het scheprad komt, zal een bocht van één voet hebben. De pijlers zullen drie voet boven de waterloop uitsteken, of zoveel meer of minder als nodig is bij de plaatsing.

Paragraaf 1.7
De bovenste tafelstukken zullen elk 6,5 duim dik en 16 duim breed zijn, en zo lang als nodig is, met een bocht van drie duim zowel binnen als buiten.

Paragraaf 1.8
De vloerplanken die op de bovenste tafelstukken komen te liggen, zullen 4,5 duim dik en 4 duim breed zijn, goed aan de tafelstukken bevestigd, genageld en gesloten. De stukken van de vloerplanken zullen minstens drie voet over de blokken uitsteken en stevig zijn, en het beste werk moet worden geleverd.

Paragraaf 1.9
De rolring zal 13 duim breed en 4,5 duim dik zijn. Hierin zullen 34 rollen van goed droog Frans iepenhout worden geplaatst, elk 8 duim lang en hoog. De rollen zullen goed verdeeld zijn zodat er geen rollen dicht bij de uiteinden van de rolring stukken en ramen zijn, om de rolring niet te verzwakken.

Paragraaf 1.10
De bovenste ringstukken zullen rondom 8 duim dik zijn, zowel aan de zijkanten als onder de voegstukken, en 12 duim breed, behalve het achterste stuk waar de rollen in- en uitgestoken worden, dat 16 duim breed zal zijn. Deze ringstukken zullen met haaklassen aan elkaar worden bevestigd. Elke las zal minstens anderhalve voet lang zijn, en elke las zal ook met twee gesloten.

Paragraaf 1.11
Een meester-timmerman zal verantwoordelijk zijn voor het zorgen dat er geen lasten onder de voegstukken komen. Deze lasten moeten minstens drie voet voorbij de voegstukken uitsteken.

Paragraaf 1.12
De kuip zal 5 duim dik en 16 duim breed of hoog zijn. Er zullen geen keerschijven in worden gemaakt. De voegstukken die daarop komen, zullen gezwalusteerd of voorzien zijn van diepe sleuven van anderhalf duim, met drie lasten aan de binnenkant van de kuip, en aan de buitenkant zullen de singstukken gelijk en vlak zijn. De bovenste sing- en polingstukken zullen per kwartier duim spelingen hebben en goed afgewerkt zijn.

Paragraaf 1.13
De bovenste balken zullen zo lang zijn als nodig is, gemiddeld 7,5 duim dik, en de bovenkanten van de zes balken zullen 5,5 voet onder de bovenrand van de blokken liggen. De bovenste ingels zullen gelijk zijn en zorgvuldig worden gelegd. Het overliggend gedeelte zal van goede kwaliteit zijn en voldoen aan de eisen van het werk.

Paragraaf 1.14
De bovenste kraagstukken zullen 6,5 voet lang zijn, exclusief de pennen, en even dik als de balken. De onderste balken zullen lang zijn naar behoefte, gemiddeld 30 duim vierkant. De bovenranden zullen uitsteken vanaf de onderste tafelstukken, 16 voet. De onderste kraagstukken zullen 7,5 voet lang zijn, exclusief de pennen, even vierkant als de balken. De voorste balken zullen zorgvuldig in elkaar worden gezet, elke keep van 2,5 duim.

Paragraaf 1.15 
De richels zullen 6 duim vierkant dik zijn, en in elk veld zullen vier richels zijn. De onderkanten van de onderste richels zullen 6 voet en 3 duim hoog liggen vanaf de bovenkant van het onderste tafelstuk, en zo lang als nodig is. Op de plaatsen voor en achter het scheprad, waar geen tafelstukken zullen komen, zullen de richels 9 duim dik zijn in het vierkant, beide einden stevig bevestigd en goed genageld. Deze richels zullen op elk uiteinde en achter het scheprad een bocht van 8 duim hebben, zodat ze vrij kunnen bewegen van het scheprad. De grote richels voor en achter het scheprad zullen even hoog liggen als de andere richels. De richels moeten goed verdeeld zijn om de kruizen niet te verzwakken.
– In de kantlijn: en ook moet elke richel met een bout vastgezet worden. –

Paragraaf 1.16 
De kruisbalken zullen 6 duim breed en 5 duim dik zijn, en in elk veld zullen vier kruisbalken zijn. De onderste uiteinden zullen 4,5 voet van de tafelmuur komen, en de bovenste uiteinden zullen meer dan 8 duim van de bovenste richels komen. De middelste uiteinden zullen meer dan 8 duim van elkaar verwijderd zijn. De onderste kruisbalken bij het scheprad zullen met de onderste uiteinden net boven de onderste richels blijven. Er zullen stutten op en neer gezet worden vanuit het midden van de velden om het schudden te voorkomen, deze stutten zullen 4,5 duim vierkant zijn en bevestigd worden met latten.

Paragraaf 1.17 
Er zullen twee venstertjes boven in de molen worden gemaakt om naar buiten te kunnen kijken, en er zal onder de kuip een ijzeren watergoot worden gemaakt die met klemmen aan de blokken wordt bevestigd om over het riet heen water te geven. Deze zullen worden aangebracht als de molen is afgedekt. Deze goot zal van planken zijn met een geschikte dikte en 15 duim breed.

Paragraaf 1.18 
De slunskraagbalken die onder de bovenste tafelstukken komen, zullen 5 voet lang zijn, exclusief de pennen, en 6 duim vierkant dik.

Paragraaf 1.19 
De voegstukken moeten zo lang zijn dat de binnenkant van de voorste pennen 2 duim buiten de buitenkant van de kuip uitkomen, en de achterkant moet zo lang zijn dat de koppen van de balk gelijk komen met de buitenkant van de kuip. De genoemde voegstukken moeten van binnenuit met geschikte bochten worden geplaatst om het wiel en de vangmechanismen correct te kunnen monteren. Deze bochten mogen niet te klein zijn. De voegstukken moeten aan het zware uiteinde 16 duim vierkant dik zijn, en aan het lichte uiteinde 10 duim vierkant. Ze zullen vooraan nauwer geplaatst worden dan achteraan, vanwege de sterkte van de voorpennen en van onderen met een geschikte ronding afgewerkt.

Paragraaf 1.20 
De xyza balk moet zo lang zijn als nodig is, en 16 duim vierkant dik. Onder de windbalk moet een watergoot gemaakt worden van een plank die 2 duim dik is. Zo breed dat deze goed past in de kuiphangers en aan de voorkant goed water kan geven. De voegstukken moeten stevig genageld zijn en de penbalk moet een geschikt uiteinde hebben om de as goed te ondersteunen.

Paragraaf 1.21 
Er moet een steunbalk onder de windbalk worden gemaakt met een balkje recht voor en achter om het achtereinde te ondersteunen. Deze steunbalk moet 9 duim dik zijn, breed en lang genoeg naar behoefte, op de ring bevestigd, en van voren met een ronde of geprofileerde afwerking. Het balkje moet 9 duim vierkant dik zijn met lippen op de voegstukken, goed stevig genageld. Het moet zodanig geplaatst worden dat de uiteinden van de pennen 2 duim vrij kunnen bewegen.

Paragraaf 1.22 
De penbalk moet 15 duim vierkant dik zijn met een neerhangende bocht, niet te klein, zodat de roeden vrij van het dak kunnen bewegen. Zo lang als nodig is en zo dicht mogelijk achter de zuigwerken geplaatst. De ijzeren balk moet 11 duim vierkant dik zijn en zo lang als nodig, met een neerhangende bocht van 4 duim, zodat de as vrij kan bewegen ten opzichte van de ijzeren balk.

Paragraaf 1.23 
De covelente balk achter, waar de kousijn op staat, moet zo lang zijn dat de uiteinden elk 5 voet buiten de voegstukken komen, om de schoren van de staander te ondersteunen. Deze balk moet 11 duim vierkant dik zijn, met zwaluwstaarten of voorleggers op de voegstukken stevig bevestigd en aan elk uiteinde goed genageld, om het uitscheuren van de as te voorkomen. Het achterste kousijn moet 34 voet hoog en breed zijn, de stijlen 5,5 duim vierkant dik. Aan elke kant moet er een schoor zijn om de sparren op te zetten, met een balkje op het kousijn naar behoefte.

Paragraaf 1.24 
De keerstijlen aan de voorzijde van de eerste as moeten 7,5 duim vierkant dik zijn. Daar waar de as tegenaan komt, moeten ze 8 duim vierkant zijn. Ze moeten zo lang zijn dat de as en de steen erin passen, met nog twee of drie verstevigingen onder de steen. De hoekstijlen moeten 6,5 duim vierkant dik zijn en lang naar behoefte. De keerstijl waar de as tegenaan komt, moet versterkt worden met een balkje naar de situatie van de constructie. Het balkje dat op het kousijn of de keerstijlen ligt, moet 6 duim dik en 7 duim breed zijn, en lang naar behoefte. De covelente balk moet bekleed worden met wagenschot, met een winddeur aan de linkerzijde om te openen en te sluiten.

Paragraaf 1.25 
De spruiten van de kap moeten 5 duim vierkant dik zijn, met 9 spruiten aan elke zijde, lang naar behoefte. Met gebogen steunbalken op de spruiten om de sparren op te zetten die geschikt overhangen, een halve voet buiten de buitenkant van de kuip. De binnenste spruiten moeten 4,5 duim dik en 7 duim breed zijn. In de vierde spruit van achteren moet aan elke zijde een dikke, sterke lange spruit van taai Deventer hout zonder spint liggen, om de buitenste schoren van de staart te ondersteunen en vast te maken. Deze moeten 10 duim vierkant dik zijn, stevig bevestigd met pennen in de voegstukken, met voorleggers van 1 duim diep goed gesloten en genageld. Op de ring moeten ze ook met voorleggers of zwaluwstaarten stevig genageld zijn, en elke spruit moet met een taaie bout door de ring bevestigd worden, met een ijzeren beugel over de spruiten binnen de ring stevig genageld, sterk genoeg om het gewicht te dragen. De grote spruiten moeten 8 voet buiten de kuip uitsteken, zodat de schoren het dak kunnen raken.

Paragraaf 1.26 
De kap moet gemaakt worden van goede, stevige kapravens (daksparren) die goed getopt zijn, met stevige nokbalken, zodat de kap niet kan verschuiven. Er moeten twee sterke spanten van zware balkjes in verwerkt worden. De kapravens moeten 10 duim van elkaar staan, niet meer. De nok aan de achterzijde moet iets lager zijn dan de voorzijde, om de stabiliteit van de kap te verbeteren. De kap moet bedekt worden met zwarte latten, die 10 duim van elkaar gelegd moeten worden, niet meer. Het voorste deel van de covelente balk moet met dekplanken bekleed worden, stevig genageld, en aan de zijkanten goed afgewerkt om het riet achter te kunnen plaatsen.

Paragraaf 1.27 
En deze voorgeschreven kap zal een geschikte staart hebben, zodat men de molen beneden kan kruien. Dit alles zal gemaakt worden van het beste grenenhout zonder spint. Het staartstuk moet zo lang zijn dat het bovenaan 4 voet boven de covelente balk uitkomt, en onderaan tot 2 voet boven de waterloop reikt. Dit staartstuk kan gemaakt worden van een oude of nieuwe mast, vierkant gehakt, waarbij de zijden een duim of anderhalf in het platte vlak of gebogen zijn. Het onderste gedeelte moet 14 duim breed en 11 duim dik zijn. Begrijpelijkerwijs moet er aan de achterkant, waar de windas komt, een klamp of stuk van 4 duim dik aan vastgelaten worden. Bovenaan moet het staartstuk 9 duim dik en 11 duim breed zijn, met een keep op de covelente balk stevig bevestigd.

Paragraaf 1.28 
De buitenschoren zullen 7 duim dik en 8 duim breed zijn, en zullen zo lang zijn dat ze onderaan 4 voet van de grond komen, en bovenaan 1 voet boven de grote spruiten uitsteken. Dit alles moet veilig zijn zodat de schoren het dak kunnen bereiken. Onder en boven moeten ze stevig en goed vastgemaakt en gespijkerd worden, met sterke spijkers bovenaan die in de grote spruiten zijn gekepen, waarbij een van de schoren 1 voet boven de spruit uitkomt.

Paragraaf 1.29 
De binnenschoren zullen zo lang zijn als nodig is, 7 duim vierkant, eveneens stevig vastgemaakt en bevestigd. De staart moet voldoende ondersteuning bieden aan de molen om het kruien van de molen te vergemakkelijken.

Paragraaf 1.30 
Er zal een stevige windas gemaakt worden van twee eikenhoutstukken, waarvan de ronde zijde 7 duim dik is, gemeten over de lengte zoals vereist. Het hoofddeel heeft zes spaken van taai berkenhout, waarvan drie spaken buiten elkaar doorlopen. De middelste spaak zal recht zijn, de buitenste met een binnenbocht, en de bovenste met een buitenbocht, allemaal stevig aan elkaar verbonden om het kruien te ondersteunen. De spaken zullen vanaf het hoofd van de windas ongeveer 4,5 voet lang zijn, en de onderste uiteinden zullen niet meer dan 9 duim boven de waterloop uitsteken. Daarnaast zullen er op een geschikte plek in de molenwerf twaalf stevige eiken kruispalen geplaatst worden, lang en dik naar behoefte, met de bovenste uiteinden even hoog boven de werf als nodig is.

Paragraaf 1.31 
De grote as zal zo lang zijn als vereist, en zal in de hals 2 voet en 4 duim dik zijn. Het achtereinde zal 20 duim dik zijn, de hals 13 duim lang, en tussen de hals en de roedgaten 5 duim. Het hoofd van de as, vanaf de hals tot aan de roedgaten, zal 13 duim breed en 15 duim lang zijn, en het hoofd zelf zal 21 duim lang zijn, vanaf het voorste roedgat. De achterzijde van de as zal tegen een metalen plaat aanlopen, met een halspen zoals bij de meeste molens, en de as zal voor en achter een beetje gebogen zijn, vooraan 4 duim in het platte vlak en achter iets minder.

Paragraaf 1.32 
Men zal staken maken van stevige grenen roeden van masten, met geschikte bochten of palsepaal die binnen de roede passen. Ze zullen zo lang zijn dat ze een halve voet boven de waterloop uitsteken, niet meer. Ze zullen gemiddeld 12,5 duim dik zijn en aan de windzijde 15 duim breed. Acht voet vanaf de as zullen ze niet meer dan een halve duim dunner worden, en ze moeten een goede proportie behouden tot aan het uiteinde. Ze zullen geboort worden met een passende schoot, en bovenaan bij de as zal er net zoveel schoor zijn als de hekken kunnen verdragen om vrij te bewegen. De meester timmerman zal hierop toezicht houden en het werk beoordelen.

Paragraaf 1.33 
De hekken zullen gemaakt worden van goede taaie stijve capravens, goed getopt, en 9 voet lang met vier zomen aan elk eind. De voorste uiteinden van de hekken zullen lang zijn om gemakkelijk te kunnen draaien voor de molen. Elk uiteinde zal vier stevige stormsekken van berkenhout hebben, goed bevestigd met klinknagels. De latten van de molen zullen gemaakt worden van doorgezaagde capravens, geschild en dwars over de staken en kruisbanden gespijkerd. De middenpunten van de latten zullen 10 duim van elkaar geplaatst worden en niet meer.

Het draaiende werk

Paragraaf 2.1 
Het bovenwiel zal een diameter hebben van negen voet en negen duimen, en voorzien zijn van achtenveertig kammen van goed droog taai mispelhout. Het wiel krijgt een stevige vang van goed eikenhout, met een sterke lip volgens voorschrift. De lip zal veertien duimen vierkant zijn en van voldoende lengte. De vangstukken zullen twaalf duimen breed en zes duimen dik zijn, bestaande uit twee stukken. De verbindingen zullen stevig zijn, met een vangstok aan het achterste stuk om de vang op en neer te bewegen, zodat de molen hiermee kan worden gestopt en bediend.

Paragraaf 2.2 
Er zullen vier armen gemaakt worden aan de oude as van het bovengenoemde wiel, elk zes duimen dik en veertien duimen breed, met de nodige lengte. De plooiingen zullen zeven duimen dik en achtentwintig duimen breed zijn. De vellings zullen vier en een halve duim dik zijn en tien duimen breed, gemaakt van goed droog en ongewassen iepenhout. Er zullen zes vellings zijn, waarvan de buitenste een duim dunner is. De achterkanten worden passend afgewerkt en glad gemaakt zoals nodig.

Paragraaf 2.3 
Het bovenste schijflopen zal gemaakt worden zoals een wiel, met achtentwintig halve staven, geplaatst in nestjes in de vellings, die een duim diep zijn. Het onderlichaam zal gelijk zijn aan een kaars. De vier armen zullen elk vijf duimen dik en een voet breed zijn, met de nodige lengte. De plooiingen zullen zeven duimen dik en achttien duimen breed zijn, breed genoeg om vier duimen van de rand af te zitten. De vellings zullen tien duimen breed en vijfenhalf duimen dik zijn, van goed droog en ongewassen iepenhout. De buitenkanten van de twee vellingen worden vlak afgewerkt en de binnenkanten naar behoren bewerkt.

Paragraaf 2.4 
Het onderwiel zal een diameter hebben van vijftien voet en drie duimen, met achtenvijftig droge, goede taaie appelbomenkamme. De kammen van beide wielen zullen precies passen als ze eenmaal recht gehangen en afgesteld zijn. Daarna worden ze perfect op hun plek gezet voor een goed functionerend werk, tot lof en eer van de meester timmerman.

Paragraaf 2.5
De armen van het genoemde wiel zullen volgens de eisen acht duim dik zijn en zeventien duim breed. De plooien daarvan zullen zeven duim dik en drie voet twee duim breed zijn. Elke plooi moet zes duim bocht hebben. De vellingen zullen een voet breed en vijf duim dik zijn, bij voorkeur meer dan minder, gemaakt van goed, ongebleekt eikenhout. De armen van beide wielen zullen correct van achteren worden afgerond.

Paragraaf 2.6
Het onderste schijfloop zal worden gemaakt van goed, droog iepenhout. De schijfplaten zullen zes duim dik zijn en er zullen twintig staven van goed, droog taai mispelhout in worden gemaakt. De staven zullen twee voet drie duim lang zijn.

Paragraaf 2.7
De tanden van beide wielen zullen zo lang zijn dat ze in de wielen genageld en gesloten kunnen worden, evenals in de halve schijfloop aan de onderkant. De tanden en gaten zullen achter de hoofden vierkant worden gemaakt. De tanden en hoofden van de tanden zullen zo dik en breed zijn als de mallen en patronen die de meester timmerman levert. Evenzo zullen de staven goed aansluiten op de hoofden van de tanden, met een halve duim of iets meer speling. Als ze anders zijn gemaakt, zullen de opzichters deze mogen keuren of laten keuren en goedgekeurd moeten zijn, zowel de boven- als ondertanden.

Paragraaf 2.8
De tanden van beide wielen zullen recht in de wielen worden verwerkt, waarbij de zijkanten gelijk zijn en de voorkanten een halve duim naar achteren hangen op de dikte van het wiel. De halve staven moeten recht worden gemaakt aan de buitenkanten van de tanden of gaten. Ze zullen drie en een halve duim van de rand van de wielen zijn en vanaf de helft van de wielen.

Paragraaf 2.9
Het wordt uitdrukkelijk voorgeschreven en verboden dat alle aannemers van deze molens gehouden zijn om al het bewegende werk perfect volgens het bestek te maken, zonder een tand minder of meer of een staaf minder of meer te doen. De meester timmerlieden zullen diameters of strekels leveren voor hun werk, evenals de patronen voor de tanden en staven, zonder dat ze hun werk op enigerlei wijze mogen veranderen, op straffe van het verlies van het gemaakte werk, als de aannemer in gebreke wordt bevonden. Evenzo mogen ze de romp van de molen, het scheprad, de waterloop of iets anders dat de molen aangaat niet wijzigen of veranderen, volgens deze lijst, op straffe van verlies zoals hiervoor vermeld. Vanaf de datum hierna zullen alle molens gemakkelijk, lichter en beter kunnen worden onderhouden en getimmerd.

  • Seback (?)

Paragraaf 2.10
De bak waarin het onderste wiel zal draaien, zal groot genoeg zijn volgens de eisen van het wiel, zodat de wateras er gelijkmatig in kan draaien. De bak zal onderaan tien duim speling hebben tegen de deur en bak. De planken daarvan zullen vijf tot drie duim dik zijn en bovenin binnenwerks vijf en een halve voet breed, en ook iets breder of smaller, met vier hoekstijlen volgens de eisen, elk zes duim vierkant dik. De planken zullen goed op elkaar aansluiten, stevig gespijkerd en van binnenuit geverfd door een ervaren vakman. De bak zal goed gestut en verzorgd zijn zodat hij niet kan verplaatsen en er zullen drie verstevigingen aan elke buitenzijde worden gemaakt, goed bevestigd en genageld. De verstevigingen zullen drie duim dik en vijf duim breed zijn, of breder. De bodem zal drie voet breed zijn en vijf en een halve duim dik, met de hoekstijlen in de bodem gepend en geboord, en een pomp in de bak en een goot waarin wordt gepompt. De bak zal van buiten worden bekleed met delen, binnen en buiten, voor stevigheid. Als de bodem uit twee stukken is gemaakt, zal de bak van binnen worden bekleed en van buiten geteerd.

Paragraaf 2.11
De spil zal zestien duim vierkant dik zijn in het midden, gemeten volgens de eisen van het werk. De uiteinden waar de kroon aan komt, zullen veertien duim vierkant dik zijn. Er zullen twee sterke krommen aan de spil worden bevestigd volgens de vereisten, en de veren van de krommen zullen niet te kort gemaakt worden maar op de juiste lengte.

Paragraaf 2.12
De stoelbalk zal zestien voet lang, vijftien duim breed en dertien duim dik zijn. De stoel zal zeven duim van het wiel afhangen. Het kalf of het bovenste hoofd zal zes en een halve voet lang, een vaar dik en zeventien duim breed zijn, met een worvel erop volgens de eisen van het werk, met een poortje erover om de spil af en aan te zetten.

Paragraaf 2.13
De stijlen van de stoel zullen dertien duim vierkant dik zijn, vierenhalf voet lang tegen de borst, zodat de wateras daarin kan draaien en de steen er gemakkelijk in kan liggen. De stijlen zullen anderhalve voet van elkaar staan. De staartstukken zullen acht voet lang zijn, met zwaluwstaarten op en in de stoelbalk bevestigd, acht duim dik en veertien duim breed. De stijlen van de stoel zullen aan de onder- en bovenzijde dubbele pennen en gaten hebben, met vier carbiels aan de stoel, elk elf duim vierkant, met de juiste lengte. Ze zullen op de juiste manier in de molen zijn ingebouwd, zowel aan de onder- als bovenzijde op tanden, en stevig vastgemaakt en verzorgd zijn.

Paragraaf 2.14
De wateras zal achttien duim vierkant dik zijn en zo lang dat de steen vrij van de waterloop kan liggen, en de andere steen gemakkelijk in de stoel kan passen. Beide uiteinden zullen met een halspen worden gemaakt, waarbij de pennen zo lang zijn dat ze op vier duim na aan de uiteinden komen. Eveneens zal de achterpen van de grote as zestien duim dik zijn en goed geschaafd. De spaties ten opzichte van de pennen zullen zo smal gemaakt worden als de pennen breed zijn. De hals van de grote as zal zo strak mogelijk worden geschaafd om stevig te kunnen worden ingebouwd, en indien er kleine platte stukken in de hals komen, zullen deze geschikt worden gemaakt zodat de pennen erop kunnen liggen. Onder het uiteinde van de wateras bij het schroefrad zal een blok worden geplaatst waar de steen eerst op rust, en dit moet goed verzorgd worden.

Van de waterloop

Paragraaf 4.1
De stijlen van het waterdeurkozijn zullen veertien duim vierkant dik zijn en even lang als de stutten. Ze zullen stevig gemaakt worden met dubbele pennen en gaten aan de boven- en onderkant. Onder in de drempels van buiten met een tand, om te voorkomen dat de aarde wegspoelt en om het zakken van de waterloop te verhinderen. De drempel waarin de stijlen komen te staan, zal zeventien duim breed en tien duim dik zijn, en zo lang dat er aan beide uiteinden een uitsparing van vijftien duim blijft voor het uitvijlen van de gaten. Het kozijn zal tweeëntwintig duim diep zijn, of zo nodig aangepast worden aan het scheprad, zodat er aan beide zijden van het scheprad een speling van een duim blijft of hooguit een duim en een kwart. Als alles samen is gemaakt, zal de waterloop van binnen afgewerkt en geplaatst worden.

Paragraaf 4.2
Aan dit eerder genoemde kozijn zal een stevige waterdeur gemaakt worden uit één stuk, passend bij de eisen van het werk. Het onderste hengsel zal een duim of anderhalf verder op de stijl staan dan boven, om het dichtvallen van de deur te voorkomen. De deur zal met drie klampen stevig bevestigd worden. Deze deur zal acht duim hoger zijn dan de bovenkant van de sloffen, en de boven binnenkant van de deur zal van binnen afgeschuind worden om vrij te kunnen bewegen ten opzichte van het scheprad.

Paragraaf 4.3
De waterloop zal aan beide zijden van binnen afgewerkt en verdubbeld worden waar het scheprad loopt, beginnend bij de wateras of bij de stijging tot buiten aan het kozijn, vier en een halve duim hoger dan de bovenkant van de sloffen. De planken zullen verticaal staan en twee duim dik zijn, strak tegen elkaar aangedrukt en recht en egaal geplaatst. De eerste plank onder de wateras zal afgeschuind worden om te voorkomen dat het water eruit spuit. Deze planken zullen met lippen aan de stijging bevestigd worden en met borden op de stijging komen om de planken en de stijging goed vast te houden. De stijging zal aan elke zijde een duim smaller zijn dan de waterloop breed is. Alles zal goed gespijkerd en stevig gemaakt worden, met de spijkerkoppen netjes verzonken.

Paragraaf 4.4
Deze eerder genoemde waterloop zal van buiten bij het kozijn tot twee plaatsen goed beveiligd worden met palen om doorlekken van water te voorkomen, en het kozijn zal van buiten ook goed afgesloten worden. Eveneens zal onder het kozijn van buiten tegen de drempel in de grond goed afgesloten worden, elke zijde een halve voet verder dan de lengte van de drempel, met grenen planken die vijf voet lang zijn en anderhalve duim dik, onderaan gescherpt en in elkaar gepast boven aan de drempel en goed gespijkerd. Dit alles zal zo goed mogelijk afgesloten en verzorgd worden om doorlekken van water te voorkomen zonder de lichten ervan te scheiden. Ook recht voor de bak van de waterloop of naar de molen toe, tot nabij de stoel, zullen halve noordelijke delen in de grond geslagen worden, onder gescherpt, dubbel over elkaar gelegd en goed vastgezet zoals eerder beschreven.

Paragraaf 4.5
De diepte van de waterloop onder het scheprad zal acht voet en zes duimen zijn, gemeten vanaf de binnenkant van de bodem tot aan de bovenkant van de planken. Het scheprad zal drie voet en drie duimen in het kwart draaien bij het laagste waterpeil, of meer of minder afhankelijk van wat de toezichthouders, na overleg, goed vinden.

Paragraaf 4.6
De rijzing zal op een hoogte van drie en een halve voet boven de binnenkant van de bodem liggen, met een ronde bocht, gezaagd uit een krom stuk hout, passend bij de grootte van het scheprad. Het zal vier duimen dik zijn en in breedte variëren naar de behoefte van het werk. Het blok waarop de rijzing komt, zal veertien duimen vierkant zijn en met pennen en gaten aan de stijlen worden bevestigd om verzakken van het kozijn te voorkomen.

Paragraaf 4.7
De waterloop aan de binnen- en buitenkant zal vier duimen dieper worden gelegd om te voorkomen dat er modder mee komt. Het is belangrijk dat de binnenste waterloop aan beide uiteinden even diep is, gemeten vanaf de bovenkant van de bodem tot de bovenkant van de planken. De voorste waterloop zal vier duimen dieper worden gemaakt bij de waterdeur, en de waterloop zal een tot anderhalve duim naar buiten hellen, om te voorkomen dat het water langs de wateras in de bak druppelt.

Paragraaf 4.8
De gehele waterloop zal worden bekleed met goede, stevige Deventer planken, die zes duimen dik zijn, tot aan de uiteinden van de planken, en aan de binnenkant worden bevestigd. Deze zullen twintig voet lang zijn waar het scheprad zal draaien. De grond tegen de bak en de waterloop van binnen zal even dik zijn als de bovengenoemde planken, allemaal goed afgewerkt, recht en gelijk geschraapt, zonder spleten. De planken zullen goed vastgezet en vastgespijkerd worden. De planken van de voorste waterloop zullen met een verbinding in de grote stijlen van het kozijn worden vastgemaakt, en aan de achterkant worden vastgespijkerd en goed bevestigd. Kanttekening: Evenzo zal de buitenkant van de waterloop, waar de pilarenmuur voor is, waar de wateras op rust, met stevige planken worden bekleed zoals eerder beschreven.

Paragraaf 4.9
De grote balken van de waterloop moeten onder de wateras dertien duim vierkant zijn en aan de uiteinden goed afgewerkt. Ze moeten stevige bochten hebben, waarbij de buitenste balk een bocht van tien duim heeft die geleidelijk afneemt. De binnenste balk heeft een bocht van drie duim. Beide balken moeten twee duim hoogte hebben, beginnend vanaf de wateras tot aan het kozijn, om het wegglijden van water te voorkomen. De balken zullen vierendertig voet lang zijn, met een extra balkje achter het scheprad om de stabiliteit van de waterloop te waarborgen.

Paragraaf 4.10
De eerder genoemde balken en stijlen van het kozijn moeten voorzien worden van sponningen waarin de planken geplaatst en vastgespijkerd zullen worden. Vervolgens zal de gehele waterloop met pen- en gatverbindingen gemaakt worden en alles moet goed afgesloten en genageld worden.

Paragraaf 4.11
De stutten of stijlen van de waterloop onder de balken moeten zowel binnen als buiten even lang zijn, volgens de specificaties, en zes duim vierkant zijn. Alle kanten moeten niet verder dan een voet van elkaar staan, met inachtneming van de ruimte voor het scheprad. Binnen en buiten moet er een halve voet extra ruimte zijn, wat neerkomt op anderhalve voet tussen beide.

Paragraaf 4.12
De drempels die met zwaluwstaarten en lippen zijn bewerkt, en overeenkomen met de zandstroken, moeten volgens de specificaties worden gemaakt. Ze moeten allemaal vijf duim dik en zes duim breed zijn. Twee zandstroken moeten van het ene eind van de waterloop tot het andere lopen, vijf duim dik en zeven duim breed, met dezelfde kromming als de balken. Er moeten half zoveel stutten als kessen worden gemaakt, met een kessen dicht bij het kozijn aan beide zijden. De zandstroken van de achterste waterloop moeten met zwaluwstaarten en lippen worden bewerkt om de planken vlak op de drempel te leggen en te schuren. De voorste zandstroken moeten met lippen aan de buitenkant van de stijlen van het kozijn worden gemaakt, of met pennen en gaten volgens de eisen en de ligging van het werk.

Paragraaf 4.13
De buitenste balken van de waterloop moeten vierentwintig voet lang zijn, exclusief de verbindingen, en op het zwaarste punt tien duim vierkant. Deze moeten goed afgewerkt zijn en verbonden aan de grote stijlen. De buitenste borst van de verbindingen moet vier duim diep ingekerfd zijn, en de binnenste balk moet bijna gelijk zijn aan de grote balk, met een kleine lip om de verbinding niet te verstoren. De buitenste waterloop moet zes voet breed zijn, en de bodem moet één voet en drie duim onder het kalf of de rijzing liggen.

Paragraaf 4.14
De aannemer moet beide buitenzijden van de grote balken bekleden met kerven plankjes, twee duim dik, nauwkeurig afgewerkt en passend bij de stijlen, van de achterkant tot aan de wateras en voorbij de waterdeur. Dit is om te zorgen dat het water zonder belemmering aan de zijkant weg kan stromen. De hellingen moeten overeenkomen met de hoek van de hellingen om het water beter te laten stromen, en zorgvuldig vastgemaakt worden om waterlekkage te voorkomen, met een lange strook van weerklot bespannen.

Paragraaf 4.15
Bij het funderen van de molen en het plaatsen van de waterloop moet er goed op gelet worden dat de waterloop zo dicht mogelijk naar het midden van de molen wordt gebracht. Dit zorgt ervoor dat het scheprad beter en vrijer kan draaien ten opzichte van de tafelconstructie.

Paragraaf 4.16
Er moeten twee schermen gemaakt worden van goede kwaliteit houten planken, zo hoog als de bovenkant van het scheprad. Deze moeten stevig genaaid en gespijkerd zijn, en overlappend geplaatst worden. De schermen moeten versterkt worden met vier balkjes aan de binnenkant, van de ene kant van de molen naar de andere, volgens de vereisten.

Paragraaf 4.17
Daarnaast moeten er vijf balken binnen de grote waterloop en vijf balken buiten de waterloop gemaakt worden. De binnenste balken moeten zes duim dik en tien duim breed zijn en stevig tegen de sloffen geplaatst worden, even hoog als de sloffen. De buitenste balken moeten met lippen boven op de sloffen komen en zes duim dik en een voet breed zijn. Deze balken worden met planken overdekt en de bruggen worden gemaakt. De balken beginnen achter het scheprad en lopen tot de uiteinden van de sloffen.

Paragraaf 4.18
De molen wordt rondom bekleed met goede planken die elkaar overlappen, met in elk vlak een stijl in het midden van zes en een halve duim vierkant, lang volgens de vereisten. De bekleding rust op lijsten met klemmen eronder, met twee deuren voor toegang, één deur bij het scheprad en een andere voor waterafvoer. De bekleding en deuren moeten stevig zijn en goed in elkaar passen. Binnen de molen worden de delen en stijlen ondersteund door de uiteinden van de stijlen van binnenuit.

Paragraaf 4.19
De trapbomen moeten volgens de vereisten van het werk op maat worden gemaakt, waarbij de onderste zes duim vierkant en van grenen hout is, en de bovenste vijf duim vierkant. De treden moeten twee voet en drie duim lang zijn, vier duim breed, en twee duim dik. Ze moeten stevig zijn en met geschikte randen worden afgewerkt. De bovenzijde van de treden moet elf duim van elkaar liggen. De trapbomen moeten passend worden geplaatst en schoongemaakt volgens de omstandigheden van het werk.

Paragraaf 4.20
Er moet in de molen een kamer worden gemaakt met een bedstede om te logeren. Deze kamer moet van goede, droge planken zijn gemaakt, van binnen gladgeschaafd en afgewerkt volgens de vereisten van het werk.

Paragraaf 4.21
De kamer moet zo ruim mogelijk worden gemaakt, vanaf de stoel tot aan de zijkant van de molen. De vloer moet van droge, recht afgewerkte planken worden gemaakt, ondersteund door vijf ribben van zes duim vierkant, van de benodigde lengte. De planken moeten goed vastgespijkerd worden, waarbij een kant van de ribben op het tafelblad wordt bevestigd met een twee duim dikke rand.

Paragraaf 4.22
De kamer moet ook worden voorzien van een zolder met droge, glad afgewerkte planken van eikenhout. De zolder moet hoog genoeg zijn zodat de onderkant van de balken een halve voet boven de bovenkant van de onderste ribben ligt. Er moeten vier balken van zeven duim vierkant worden gebruikt, goed vastgespijkerd en stevig bevestigd. In de kamer moeten een deur op een handige plaats, twee glasramen, en een venster worden geplaatst. Ook moet er een rookkanaal met een pijp en een vatbank voor de molenaar komen. De vuurplaats moet vijf voet in het vierkant zijn en diep genoeg om over de staartstukken van de stoel te reiken. De balk onder de muur of schoorsteen moet de staart van de stoel ondersteunen. De muur van de schoorsteen moet op de staartstukken van de stoel worden gefundeerd.

Paragraaf 4.23
Alle nagels die voor het werk gebruikt worden, moeten de juiste dikte en lengte hebben, iets doorstekend, gemaakt van goed, droog en deugdelijk Deventer eikenhout.

Paragraaf 4.24
De molen moet volledig en op de beste manier gebouwd worden met pennen en gaten, zwaluwstaarten, verstevigingen, en andere benodigdheden, zonder licht werk te vermijden. Alle werk, inclusief nagels en spijkers, vooral de kruisbanden en ribben, de belangrijkste onderdelen van de molen, moeten tot tevredenheid van de heren opdrachtgevers of andere aangestelde meestertimmerlieden uitgevoerd worden.

Paragraaf 4.25
De aannemer moet de molen volledig bevloeren vanaf de kamer tot aan de zijkant, rondom het bakwerk tot aan de scherming, met ondersteunende balken en leuningen om bescherming te bieden aan het personeel en de molenaar. De aannemer moet ook vier halve assen van de beste kwaliteit leveren en al het benodigde ijzerwerk voor de molen niet vergeten en stevig bevestigen.

Paragraaf 4.26
Deze molen moet gemaakt worden van goed, gaaf Deventer eikenhout, behalve de balken, kruisbalken, ribben, dakspanten, en spil, die ook van ander goed eikenhout kunnen zijn. Er mag geen rot of gebroken hout gebruikt worden, en het hout moet stevig en van goede kwaliteit zijn, zonder gebreken of rot.

Paragraaf 4.27
Al het houtwerk moet worden vervaardigd volgens de afmetingen en specificaties van het bestek, met gebruik van houtvoeten van twaalf duim, zoals gebruikt bij de Beemster molens.

Paragraaf 4.28
Als er iets ontbreekt of vergeten is in dit bestek dat noodzakelijk is voor de molen, moet de aannemer dit maken zoals vereist en naar tevredenheid van de aangestelde commissarissen, zonder extra loon te eisen. Als er iets te kort wordt gedaan, zal dit worden gecorrigeerd.

Paragraaf 4.29
Als blijkt dat er hout is dat van slechte kwaliteit is of gebreken vertoont zoals eerder beschreven, mogen de heren besteders dit hout laten keuren en afkeuren door deskundigen. Het afgekeurde hout wordt als verloren beschouwd, en de aannemer moet het vervangen door goed hout, volgens het bestek. Deze keuring vindt plaats op de werf waar de molen wordt gebouwd, en de aannemer is verantwoordelijk voor het transport van de molen naar de bouwplaats.

Paragraaf 4.30
De aannemer moet de molen volledig afmaken, rechtop zetten en werkend opleveren. Dit moet binnen de gestelde termijn van 1 september gebeuren. De heren besteders zorgen voor de fundering, metselwerk en het droog houden van de werf. Bij vertraging wordt de aannemer per dag gekort op de betaling.
In de kantlijn: Bij een vertraging wordt een boete opgelegd van vierentwintig gulden per twee weken en zes pond extra, zoals vastgelegd in het contract.

Paragraaf 4.31
De betalingen voor de bouw van de molen worden in drie termijnen gedaan: de eerste termijn bij het afronden van het achtkant van de molen en het plaatsen van de stijlen, de tweede termijn bij de volledige montage en werkende oplevering van de molen, en de derde en laatste termijn drie maanden na de tweede betaling.

Paragraaf 4.32
Elke aannemer moet twee goede en voldoende borgstellers aanleveren, goedgekeurd door de heren besteders. Deze borgstellers blijven verantwoordelijk voor de volledige en correcte oplevering van de molen, met afstand van bepaalde wettelijke voordelen, zodat de heren besteders zowel de aannemer als de borgstellers kunnen aanspreken.

Paragraaf 4.33
Indien iemand geen borg kan stellen, mogen de heren besteders de molen opnieuw aanbesteden. De meerkosten worden verhaald op de oorspronkelijke aannemer, maar hij krijgt geen voordeel als de kosten lager uitvallen. De aannemer ontvangt een bestek van de molen, waarvoor hij een Rijksdaalder betaalt.

Paragraaf 5.1 – Aanbesteding
Op 22 mei 1641 werd Cornelis Albertsen Noordeynd aangenomen als aannemer voor de bovenmolen en een middelmolen, voor respectievelijk 3.800 en 5.700 Carolusgulden. Borgstellers zijn Jan Willemsen Hoeck en Peent Pietersen uit Noordeynd. De overeenkomst werd getekend na voorlezing van het bestek.

Cornelis Alberts
Dit is door Jan Willemsen Hoeck zelf opgesteld.
Arent pieters


Tekst op losse papiertjes (vermoedelijk behorend ergen in tekst):

De aannemer zal verplicht zijn om binnen een maand na de aanbesteding de waterloop zo snel mogelijk gereed te maken, zodat deze kan worden opgesteld en de molen kan worden gefundeerd, opgezet en gemetseld volgens alle vereisten, zonder enige vertraging.

Daarnaast zal men acht ondertafelstukken maken die geen oren hebben. De onderdelen van de balken zullen buiten de uiteinden uitsteken en tot op de muurplaat reiken, ter bescherming van de genoemde tafelstukken tegen water. Deze zullen met sterke pennen en gaten in elkaar worden gezet, met een buitenrand van de gaten van twee tot twaalf en een halve duim gemarkeerd, goed genageld. De tafelstukken zullen elk vijftien duim breed en negen duim dik zijn, behalve het tafelstuk dat achter het scheprad ligt, dat zeventien duim breed zal zijn, allemaal op de vereiste lengte, volgens de daarvoor gemaakte modellen.

Geplaatst op: 19 juni 2024
Martijn Jongens

0 reacties