De eerste ingelanden

Geschreven door Evert Besse Jz. (1944)
bewerkt door Cor Booy (1993)
Bron: Wikipedia

Toen het er in 1637 naar uitzag dat het met de Rijper plannen voor de droogmaking van Starnmeer en Kamerhop mis zou gaan, was het vooral de jonkheer Reinier Pauw te Amsterdam, die er voor heeft gezorgd dat het reeds begonnen werk aan de droogmaking werd voortgezet. In de loop van het volgende jaar legden de Rijper initiatiefnemers het hoofd in de schoot, nadat Mr. Steven Bosch was overleden.
Er werd een nieuw bestuurscollege gevormd en er werd bij de Staten van Holland en West-Friesland een nieuw octrooi aangevraagd, wat op 15 april 1639 werd verleend.
Belangrijker was echter dat Reinier Pauw en nog een aantal leden van dit Amsterdamse regentengeslacht financieel deelnamen in de droogmaking en die daardoor zeker stelden.

De Amsterdammers

Reinier Pauw schreef zelf in voor 60 morgen en was daarmee de grootste deelhebber aan de onderneming. Zijn schoonmoeder Adri- ana Cole was goed voor 40 morgen. Reinier’s vader, de raad- pensionaris Adriaan Pauw, lid van de Hoge Raad, schreef in voor 20 morgen. Willem van Ruytenburgh, de bekende luitenant op Rembrandt’s “Nachtwacht” en zwager van Reinier Pauw, nam deel met 20 morgen, evenals nog een zwager, de “groot koopman” Johan Geelen. Nog drie Amsterdamse deelnemers waren majoor Dirck Hasselaar (40 morgen), Willem Six (40 morgen) en Adriaan Six (10 morgen).
Geen van deze Amsterdamse grondeigenaren heeft zijn bezit ooit zelf in gebruik genomen. Geleidelijk aan hebben zij hun Starnmeers bezit van de hand gedaan.

Jonkheer Reinier Pauw.
Bron: Wikipedia

Toch nog Rijpers

Daarnaast is de kostbaarheid van de droogmaking er oorzaak van geweest dat sommige deelnemers in de onderneming naderhand bij herhaling hebben getracht zich aan hun betalingsverplichtingen te onttrekken. Dat verklaart wellicht mede waardoor de Amsterdamse deelneming niet tot blijvende bemoeienis heeft geleid, of schoon genoemde Amsterdamse regenten gezamenlijk een kwart van de kersverse polder bezaten ten tijde van de verkaveling in 1643.
Daarentegen waren er ook toen nog ingezetenen van De Rijp, die financieel belang in de droogmaking hadden en eigendomsrechten konden doen gelden. Ook de steden Purmerend, Enkhuizen en Hoorn hadden land in de nieuwe polder, maar ook zij hebben zich er van lieverlee uit teruggetrokken. Alleen De Rijp en in bescheidener mate Graft behielden hun betrokkenheid bij Starnmeer en Kamerhop.

De eerste transporten

Min of meer gelijktijdig met het verdwijnen van de betrokkenheid der stedelijke regenten ontstond het zelfgebruik van het land door nieuwe eigenaren. Merkwaardig is in dit verband dat het land van jhr. Reinier Pauw tot de vroegst verkochte “Amsterdamse” bezittingen behoorde. De jonkheer overleed in 1652. De voogden van zijn beide minderjarige dochters verkochten zijn 60 morgen in 1661. De kavels 17 en 18 met behuizing op 17 kwamen in bezit van iemand uit de Beemster en wisselden nadien nog vele malen van eigenaar.
De kavels 21 en 22, met behuizing op 22, werden eigendom van zekere Pieter Willemsz van der Hoeck, “huisman in de Starnmeer”. Dat betekent ongetwijfeld dat deze Van der Hoeck van pachter eigenaar werd. Hij verwierf ook kavel 48 uit het voormalige bezit van Reinier Pauw.
Kavel 47, eveneens van Pauw, kwam in bezit van Willem Cornelisz Beck, waagmeester en vroedschap van De Rijp.
Overigens was het Starnmeerse land van jhr. Pauw niet het eerste Amsterdamse bezit in de polder dat in niet-Amsterdamse handen overging. De eer viel te beurt aan kavel 7, welke bij de kavel-loting was toegewezen aan Adriaan Six. Toen hij enkele jaren nadien was overleden, en zijn zoon Jan Six geen prijs stelde op het bezit ervan, werd de kavel verkocht aan Auwel Pietersz., schepene en vroedschap van De Rijp.

De Verkaveling

Het is stellig interessant eens na te gaan wie de eerste eigenaren waren van het land in Starnmeer en Kamerhop en wie de opvolgers werden. We doen dit aan de hand van de kavelnummers op de kaart die de cartograaf een landmeter Nicolaas Stierp in 1658 maakte.
Opgemerkt dient nog dat men beoogde, bij het verkavelen de gronden toe te delen in kavels van 10 morgen oppervlakte en de grond in Kamerhop in kavels van 1 morgen. De Kamerhopkavels dienden als “toegift”: bij elke 10 morgen land in de Starnmeer 1 morgen in het Kamerhop. Dat lukte echter niet steeds. Ook werd rekening gehouden met de uiteenlopende gebruikswaarde van de kavels, waarvoor een taxatie werd verricht door neutrale taxateurs. Op grond van de taxaties moest bij de toewijzing voor goede kavels worden toebetaald. Viel iemand een minder goede tot slechte kavel toe, dan kreeg hij een daarbij passend geoordeelde uitbetaling.

De loting

De loting werd verricht door de dijkgraaf. Dat was anno 1643 Frans Jacobsz, de toenmalige schout van De Rijp. De kavels 1 en 2, 33 en een morgen van kavel 12 in Kamerhop vielen toe aan de stad Enkhuizen. Het stadsbestuur heeft dat bezit pas in 1804 verkocht. Daardoor is Enkhuizen het langst van de Noordhollandse steden bij de Starnmeer en het bestuur ervan betrokken geweest. Nieuwe eigenaar van kavels 1 en 2, met de woning op 2, werd Klaas Bos, voor de prijs van f 4860. Dat was f 230 per morgen, want de werkelijke grootte was 21 morgen 269 roe.
Nummer 33 werd gekocht door Lourens Veer voor f 2280. Hij was schout, notaris en secretaris te Akersloot en werd in 1806 tevens secretaris van Starnmeer en Kamerhop.
De beweegreden van Enkhuizen tot verkoop van het land in de Starnmeer was een uitvloeisel van de Bataafse revolutie. Bij het uitroepen van de Bataafse Republiek, in 1795, werden de belangen van het waterschap in handen gelegd van de ingelanden, met terzijdestelling van het college van hoofdingelanden. Enkhuizen had altijd een zetel in dat college gehad en aldus invloed op het bestuur. Toen dat van 1795 niet meer het geval was, achtte Enkhuizen de tijd gekomen zich van zijn Starnmeers bezit te ontdoen.
Overigens heeft Klaas Bos zijn aankoop, de kavels 1 en 2, al in 1808 weer verkocht, voor f 4275, dus met f 600 verlies. De kopers verkochten ze nog dezelfde dag voor f 5000. Het land was dus blijkbaar speculatie-object geworden.
De kavels 3 en 4 en morgen van kavel 2 in Kamerhop werden geloot door de kerk van De Rijp. Deze kerkegronden werden op last van de hoofdingelanden in 1650 verkocht door dijkgraaf en heemraden. De kerk kon namelijk niet aan haar verplichtingen voldoen. Nieuwe eigenaar, mede van de woning op 3, werd Pieter Jacobz Bouter, koopman in De Rijp. Hij was een der geldschieters van de bedijkers.
Na zijn overlijden verkochten de voogden van zijn kinderen nr.3 en nog een andere kavel aan een andere Rijper voor f285 per morgen. Nr.4 werd in 1650 verkocht aan Pieter Pauwelsz, een vroedschap in De Rijp. Het bleef tot 1737 in zijn familie.

Pachter wordt eigenaar

De kavels 5 en 6 en de nummers 59 en 60 benevens nr. 13 in ’t Kamerhop vielen toe aan majoor Dirck Hasselaar te Amsterdam. Deze zijn het langst in Amsterdamse handen gebleven. Weliswaar stierf Hasselaar reeds in 1645, maar het land bleef in de familie tot de nummers 5 en 6 in 1761 werden verkocht aan de pachter Barend Gerritz Bouwer, voor f 2400. Deze moest een lening sluiten om de kooppenningen te kunnen voldoen. Hij nam daarom f 2500 op tegen 4% bij Cornelis Haring te West-Graftdijk met het land als onderpand. Opmerkelijk is dat de lening hoger was dan de koopprijs; een teken dat het met de waarde van het land beter begon te gaan in het economisch verkeer. De nummers 59 en 60 waren in de familie Hasselaar al eerder losgekoppeld van de nrs. 5 en 6. In 1722 verkochten de erfgenamen, kinderen van zekere Jacob Hop en Isabella Hooft te Amsterdam, 59 en 60 aan twee ingezetenen van De Rijp.

Einde bezit Pauw

De kavels 7 en 8 werden toebedeeld aan Adriaen Six en Frederick de Beuckere, evenals voor elk 1 morgen van nummer 7 in het Kamerhop. Adriaen Six overleed al spoedig, zoals reeds opgemerkt, waardoor kavel 7 in handen kwam van Auwel Pietersz in De Rijp.
De erfgenamen van Frederick de Beuckere verkochten zijn kavel 8 in 1667 aan een koopman, eveneens uit De Rijp, voor f 555 per morgen. In de 18e eeuw kwam het in handen van een zelfgebruiker.
De nummers 9 en 10 werden toegewezen aan mr. Reinier Pauw, de raadsheer in de Hoge Raad van Holland en oom van jhr. Reinier Pauw. Hij kreeg ook 2 morgen van kavel 1 in het Kamerhop. Hij verkocht het na 30 jaar, in 1684, tesamen met het “speelhuis” op nr.9, aan een koopman te Oost-Graftdijk. Met deze verkoop eindigde de eigendom van bezittingen van de familie Pauw in de Starnmeer.

Aan de armen

Door vererving zijn beide percelen in de familie van de nieuwe eigenaar gebleven. In de eerste helft van de 18e eeuw waren ze eigendom van Willen Netkoper van Oost-Graftdijk, die hoofdingeland was van de Starnmeer, van 1732 tot hij in 1743 overleed. Zijn vrouw erfde het land. Echter, in het testament was bepaald was bepaald dat indien zij zou overlijden of hertrouwen, het land zou toevallen aan de doopsgezinde armen van Oost-Graftdijk. De weduwe hertrouwde inderdaad en wel met Pieter Jacobz Kuyper, koopman te Koog aan de Zaan. Het land in de Starnmeer viel dus toe aan de doopsgezinde armen van Oosterbuurt, maar de diakenen van de doopsgezinde gemeente verkochten het nog hetzelfde jaar aan Pieter Jacobz Kuyper, voor ƒ3500. Aan de pachter Diens dochter, Grietje Pieters Kuyper, verkocht het in 1756. aan Pieter Jantjes, schepene en vroedschap in De Rijp en Simon Beets, koopman, eveneens in De Rijp, voor f 2350. Dat betekende in vrij korte tijd een verlies van ruim ƒ 1000.
De heren Jantjes en Beets verkochten hun bezit aan de pachter, Cornelis Breet, twee jaar later, met f 1312 winst, voor f 3662. Grietje had haar erfdeel blijkbaar te snel verkocht, mogelijk beangst door “het spook van de veepest”.

Pieter Jacobsz de Goede

De percelen 11 en 12 werden voorwerp van speculatie en gingen herhaaldelijk over in andere handen, totdat kavel 11 in 1799 eigendom werd van Pieter Jacobsz de Goede. Deze bleek toen ook eigenaar-gebruiker te zijn van 9 en 10, die hij door vererving had verkregen.
Deze De Goede was een telg van een der toonaangevende geslachten van eigenaren-zelfgebruikers van Starnmeers land.

Onwillige Sara

De kavels 13 en 14 benevens 2 morgen van nr. 4 in Kamerhop werden toegekend aan Sara Turquette, Vrouwe van Mallepart te Utrecht. Dat was een eigenaardig geval. De oorspronkelijke deelnemer in de bedijking was Laurens van Teylingen. Diens weduwe verklaarde in 1638 dat de hem toe te loten 20 morgen op naam van Sara Turquette moesten worden gesteld. De bedijkers aanvaardden die verklaring. Maar vrouwe Sara leek er zelf niet veel voor te voelen. Deelneming in een droogmakerij had zo haar consequenties. Zoals het betalen van de hoofdelijke omslag. Daar deed de Vrouwe van Mallepart niet aan mee. Haar naam komt herhaaldelijk voor als eerste als er sprake is van het dijkrecht. Blijkbaar heeft ze uiteindelijk wel aan haar verplichtingen voldaan, want van uiterste consequentie van de toepassing van het dijkrecht, nl. de verkoop van haar onroerend goed, zoals met anderen wel het geval is geweest, is bij haar geen sprake.
De kavels 13 en 14 blijken in 1656 eigendom te zijn van Vrouwe van Leur te Amsterdam, door vererving. In 1753 werden ze verkocht aan Adriana Nool te Amsterdam, weduwe van Jan van de Ende. Bij de koop was inbegrepen het huis op 13 en 0,5 kavel in het Kamerhop., tesamen 21 morgen en 589 roe, voor de prijs van f 900. Dat is ongeveer f 40 per morgen. Het diepste punt in de prijsdaling die het gevolg was van de veepest. Koper was Claas Velserboer, die waarschijnlijk de pachter was.

De Kerk van Graft

Kavels 15 en 16 werden in gedeelte toegewezen aan 4 eigenaren waaronder de kerk van Graft. Deze behoorde tot de oudste groep die tot bedijking wilde overgaan en daartoe octrooi wilde aanvragen. Het schijnt dat de stadsbestuurders van Alkmaar de Grafter kerkvoogden hebben bewogen van die octrooi-aanvragen af te zien. In ruil daarvoor kreeg de Grafter Kerk toezegging van 25 morgen, maar nog voor 1637 droeg Graft 15 morgen over en nog voor de verkaveling berichtten de dorpsbestuurders dat van de resterende 10 morgen er 3 op naam van de Kerk 3 op naam van de armen en 4 op naam van Jan Claasz Schippers van Graft moesten worden gesteld. Dat is bij de loting in 1643 gebeurd. In 1657 verkochten de armenvoogden, op gezag van de dorpsregering, hun 3 morgen aan de kerkvoogden. Zo behoort het noordelijk deel van nr 15 sindsdien aan de Kerk van Graft.
Perceel 16 werd bij de loting toegewezen aan Jan Jansz Beets. Hij kreeg ook 1 morgen van nr 12 in Kamerhop. De Grafer Kerk en de armen aldaar verwierven snippertjes van elk 3/10 morgen van kavel 2 in het Kamerhop en Jan Claasz Schippers kreeg er 2/5 morgen van.
De kavels 17 en 18 werden bij de loting toegewezen aan de redder van de bedijking, jhr. Reinier Pauw. Hij verwierf ook de kavels 21, 22, 47 en 48, alsmede 4 morgen van kavel 8 in het Kamerhop en 2 morgen van kavel 14 in het Kamerhop. Deze werden alle verkocht in 1661, na het overlijden van de jonkheer, zoals eerder vermeld.

Burgemeester van Hoorn

De nummers 19 en 20 werden bij de loting eigendom van Mr.Allert de Groot, burgemeester van Hoorn. Hij verwierf ook 5 morgen van nr 36 en 2 morgen van nr 6 in het Kamerhop. Hij was deelnemer in de bedijking geworden toen de stad Monnickendam haar deelneming van 25 morgen wilde verkopen. Allert de Groot kocht dat recht van deelneming in 1639. Hij werd later hoofd-ingeland. Naderhand volgde zijn zoon Herman hem op als zodanig. Deze zoon was eveneens burgemeester van Hoorn. Hij en zijn moeder, de weduwe van Allert de Groot, verkochten echter hun Starnmeers bezit in 1664 aan Dirck Claasz Schoen in de Starnmeer. Vermoedelijk was hij de huurder, die nu eigenaar-zelfgebruiker werd. Zijn geslacht is er tot midden 18e eeuw op de plaats blijven wonen.
Een merkwaardigheid is dat deze eigenaar-gebruiker in werk lijkheid niet Schoen heette maar Koen. Vermoedelijk is bij het opstellen van de koopakte de uitspraak van zijn naam op z’n Westfries verstaan, als “Dirck Claas Skoen” en vervolgens als “Schoen” opgeschreven.

Geen land genoeg

De helft van 36 werd nog tot 1703 aangehouden door de familie van de Hoornse burgemeester De Groot. Herman bleef hoofdingeland tot 1666. In dat jaar werd hij als zodanig vervangen door de Amsterdamse regent Herman van de Poll. Het was namelijk niet geoorloofd hoofdingeland te blijven met slechts het bezit van een halve kavel. Om in die functie te kunnen geraken moest men tenminste twee kavels Starnmeers land bezitten. De erfgenamen van Herman de Groot hebben in 1703 de helft van 36 verkocht aan de gebroeders Kapjes.
Jan Jacobz de Groot, eveneens uit Hoorn, bezat sinds de toedeling kavel 37. Zijn erfgenamen verkochten die in 1700 aan de gebroeders Kapjes. Zij kochten dus in 1703 de helft van 36 er bij, maar in 1704 verkochten ze 37 weer, met nog 1 morgen van 36.

0, Jofvrou Sicks…

De nummers 23 en 24 kwamen door de loting van 1643 in handen van Willem Six, koopman te Amsterdam. Hij verwierf ook 2 morgen in het Kamerhop, van kavel 7. Bij nameting bleek het geheel 23 morgen en 362 roe. Dit bezit is het langst van alle Starnmeerse landerijen in één familie gebleven, namelijk tot 1834. Daar leek het aanvankelijk niet naar uit te zien. Nadat Willem Six al in 1652 was overleden, bleek zijn weduwe bij herhaling nalatig terzake van haar verplichtingen in de polder. Volgens de rekening van de Starnmeer in 1663 had “Jofvrou. Sicks” haar polder lasten niet voldaan, tot een bedrag van f 283, 4 stuivers en 14 penningen. Zij was overigens de enige niet. Er waren meer nalatige ingelanden. Echter, toen het polderbestuur meende tot maatregelen te moeten overgaan, geschiedde dat “in ’t speciaal met Jofvrou Sicks”.
Haar dochter, Joanna Jacoba Six, huwde in 1663 met Simon van der Stel. Hij was zoon van een hoge ambtenaar in Indië.
Simon verwierf in 1674 het bezit van het Starnmeers land, dat hem bij schifting en deling uit de nalatenschap van zijn schoonvader ten deel was gevallen.

Smeergeld…

Hij werd, in tegenstelling tot andere Amsterdamse eigenaren van land in de Starnmeer, geen hoofdingeland. Zijn ambities gingen een heel andere kant uit. Hij wenste zich een bestuurspost in Zuid-Afrika, dat toendertijd onder de Verenigde Oostindische Compagnie behoorde. Maar Simon van der Stel was geen V.O.C-ambtenaar. De enige manier om tot zijn doel te geraken was: de lieden gunstig stemmen die hem op de gewenste hoge post konden benoemen. Wij zouden dat nu zeer laakbaar achten, maar destijds was zoiets bepaald niet ongewoon.
Weliswaar had Simon geen kapitaal, maar hij nam een hypotheek van ƒ 5500 op zijn Starnmeers bezit en bereikte daarmee wat hij wilde. Hij werd commandeur en later goeverneur van het steunpunt dat de V.0.C. zich op de weg naar Oost-Indië eigen had gemaakt in Zuid-Afrika: de Kaapkolonie. Hij stichtte er weldra de plaats die naar hem Stellenbosch werd genoemd. Ook gaf hij er de stoot tot de Kaapse wijnbouw. Hij was, meer nog dan Jan van Riebeek, de eigenlijke grondlegger van het Hollandse Zuid-Afrika. Zo heeft op merkwaardige wijze de Starnmeer deel gehad aan wat in Zuid-Afrika door Simon van der Stel voor elkaar is gebokst…
Het Starnmeers bezit van Van der Stel is gedurende de hele 18e eeuw onverdeeld in de familie gebleven. Nog in 1807, toen de ingelanden werden opgeroepen ter benoeming van een nieuw college van hoofdingelanden, bleek één van die ingelanden Simon van der Stel te heten, met de eigendom van 23 morgen en roe. Precies dezelfde oppervlakte als indertijd bij de nameting eigendon was van Willem Six.

Rentmeesters

Het land is dus dankzij vererving in de familie gebleven. Maar het merkwaardigst is wel dat dit onverdeeld is geschied, dus gemeenschappelijk eigendom van de familie Van der Stel is gebleven. Wellicht echter zijn er familieleden geweest die zich dit eigendom in de Starnmeer niet bewust zijn geweest. Er waren inmiddels rentmeesters aangesteld, die zich met het beheer bezig hielden, pachtcontracten afsloten enz. enz. Pas in 1831 begonnen familieleden zich af te vragen wie eigenlijk rechthebbenden waren. De Rechtbank van Eersten Aanleg wees vonnis op 28 juli 1831. Daarin werden erfgenamen aangewezen van de onverdeelde boedel van Simon van der Stel. Hun aantal was aanzienlijk. Er waren er vier van het geslacht Ruysch en slechts één die Van der Stel heette.

Absente onbekenden

De rechtbank hield zich er overigens van overtuigd dat er meer rechthebbenden waren en wees een vertegenwoordiger aan van absente onbekende mede-eigenaren. Voorts bepaalde de rechtbank dat het bezit moest worden verkocht en dat dan de aangewezen erfgenamen en de vertegenwoordiger van de absente onbekende mede-eigenaars zouden overgaan tot schifting, scheiding en verdeling van de bij voortduring onverdeelde en in het gemeen gebleven eigendom.
In overeenstemming met dit vonnis kwamen belanghebbenden overeen, ten overstaan van mr. Johannes Commelin, notaris te Amsterdam, over te gaan tot publieke verkoop, op 5 mei 1834. Koper werd Joan Frederik Schaade te Amsterdam, die f 5250 betaalde, te weten f 4600 voor het land met behuizing in de Starnmeer en ƒ 650 voor het land in het Kamerhop.
Het oorspronkelijke Amsterdams bezit kwam dus wederom in Amsterdamse handen. Maar niet voor lang.
Schaade, die koopman en winkelier was op de Haarlemmerdijk, in katoenen en wollen stoffen, was meer dan een gewone winkelier Hij had zijn debiteuren in heel Noord-Holland; betrok zijn handelswaar uit binnen- en buitenland en bezat een buitenverblijf, “Landlust” geheten, te Abcoude. Dat was een herenhuis met tuinmanswoning, koetshuis, paardestal, koepel, menagerie, schuitenhuis, slinger bossen, boomgaard enz. enz. Hij overleed er in 1841. De weduwe en haar dochters hadden geen interesse in het behouden van hun Starnmeers bezit. Het werd op 4 juli 1842 ten overstaan van notaris Meyer Cluve te Amsterdam verkocht aan Muus Slooten in de Starnmeer, voor f 6950. De hofstede heette “Onverwachts” en bestond uit een huismanswoning met stalling, hooihuis en varkensboet met landerijen.
De kavelnummers 25 en 26 werden toegewezen aan burgemeester Jan Mieusz van Edam en aan Claes Theunisz. Deze burgemeester deed in 1659 zijn kavel 25 over aan twee “huislieden”, voor f 5394. Elk kocht de helft. Eén van de twee was Huybert Janz in de Starnmeer, die in 1662 ook de andere helft kocht. Waarschijnlijk was hij zelfgebruiker.
Claes Theunisz, die kavel 26 verwierf, was ook burgemeester. Zijn erfgenamen verkochten de kavel in 1686 aan Pieter Auwelsz Prins, oud-schepene in De Rijp, voor f 160 per morgen. Claes Theunisz had ook 1 morgen in het Kamerhop, in kavel 11.

De Nachtwacht

Willem van Ruytenburgh, heer van Vlaardingen, kreeg bij de loting de kavels 27 en 28 toegewezen, benevens 2 van de 4 morgen van kavel 1 in het Kamerhop. Hij is wereldberoemd geworden als een van de hoofdfiguren op Rembrandt’s “Nachtwacht”, welke in werkelijheid een schutterij onder aanvoering van Banning Cocq uitbeeldt. Van Ruytenburgh is daar de man in het goudgele kostuum. Hij vervult er een belangrijker rol dan hij als landbezitter in de Starnmeer heeft gedaan. Blijkbaar is hij er uitsluitend deelnemer in de bedijking geworden door aandringen van zijn zwager, jhr. Reynier Pauw. Toen Van Ruytenburg stierf in 1652, ging zijn Starnmeers bezit over op zijn zoon Jan van Ruytenburgh, die zich ook heer van Vlaardingen mocht noemen. Hij verkocht naderhand zijn land in de Starnmeer aan Jacob Fransz, de schout van De Rijp. Deze noemde zich later Jacob Fransz Schouten. Hij was een zoon van Frans Jacobsz, die ook schout was in De Rijp en bovendien dijkgraaf van Starnmeer en Kamerhop.
Jan van Ruytenburgh ontving geen beste prijs voor zijn land. Het bedrag van f 160 per morgen (totale koopsom f 3800) was absoluut te laag, zelfs als men de toendertijd sterk gedaalde waarde van het Starnmeerland in ogenschouw neemt. Maar misschien wilde Van Ruytenburgh zich “tegen elke prijs” van het land ontdoen. De desbetreffende kavels zijn nadien tot de Franse tijd niet meer getransporteerd. Ze kwamen door vererving omstreeks 1710 in een ander Rijper geslacht en dat bleven ze gedurende de hele 18e eeuw. Een telg uit dat geslacht, dr. Jacob Groen, geneesheer in De Rijp, is lange tijd heemraad van Starnmeer en Kamerhop geweest.

De Rijper Kerk

De kerk in De Rijp verwierf 5 morgen van kavel 30. De andere helft en kavel 29 werden toegewezen aan Aris Dircksz, eveneens uit De Rijp. Hij was heemraad ten tijde van de verkaveling. Later werd hij secretaris-penningmeester van de polder. Toen hij in 1649 overleed, hebben zijn erfgenamen het bezit nog enige tijd aangehouden. In 1665 verkochten zij het, met de behuizing, aan een Alkmaars koopman, die ook de andere helft van kavel 30 kocht. Deze Alkmaarder was geldschieter van de bedijkers geweest.
Dijkgraaf Frans Jacobsz uit De Rijp verwierf bij de loting de helft van kavel 31, benevens de hele kavels 39, 41 en 42 plus de toegift in het Kamerhop, groot 3 morgen van kavel 3.8081 De andere helft van 31 viel toe aan Jan Cornelisz Hensbroeck. Kavel 32 werd toegewezen aan Cornelis Maertensz in De Rijp. Er zijn geen transporten bekend van deze kavels.
Kavel 34 werd toegekend aan Jacob Pietersz Vael, notaris te Enkhuizen. Hij droeg dit bezit in 1657 over aan Heertien Pietersz Molenaar en diens “snaer” (schoonzuster) te Jisp. In 1663 verkochten zij het land aan iemand uit de Beemster, die het spoedig daarna eveneens weer verkocht.
Hendrick Dircksz Passer, advocaat te Hoorn, verwierf nr 35 bij de loting. In een register van morgentallen in de Starnmeer met de namen van eigenaren en gebruikers omstreeks 1653, wordt hij als “selffs bruycker” met 12 morgen genoemd Adriaan Hendricksz Passer, die in 1653 nog poorter van Hoorn was. Deze zelfgebruiker kan niet anders dan een zoon van advocaat Hendrick Passer zijn geweest. Indien het land zijn eigendom was, zoals het register suggereert, kan dat niet lang het geval zijn geweest, want in 1670 verkocht mr. Dirk Passer, advocaat te Hoorn, de kavel 35. Dirk was een andere zoon van mr. Hendrick Dircksz.
Kavel 40 werd geloot door Adriaen Pauw, heer van Heemstede en raadspensionaris. Zijn zoon Michiel erfde het van hem. Na diens dood verkocht zijn weduwe de 10 morgen aan Havick van de Velde te Beemster. Hij stierf spoedig daarna. Zijn erfgenamen verkochten het land zodanig dat het land verdeeld raakte. De noordelijke helft werd eigendom van Jan Pietersz Beck en Jan Cornelisz Beets in De Rijp. De zuidelijke helft werd eigendom van Pauwelis van de Velde.
Toen laatstgenoemde overleed, werden zijn eigendommen publiek verkocht in 1677. Deze omvatten meer dan de zuidelijke helft van kavel 40. Koper werd Nicolaas Klopper, koopman en reder ter walvisvaart te Amsterdam. Hij werd daardoor tevens eigenaar van de noordelijke helft van kavel 39 en de hele kavel 38 De koopsom bedroeg f 7127,40 wat neerkomt op f 350 per morgen Een aanzienlijke prijsval in vergelijking met de kortprijs per morgen die de bedijking had gekost.
Een dochter van Nicolaas Klopper trouwde met Gilles van Hoven eveneens een telg uit een Amsterdams koopmansgeslacht. Zijn zoon, Gilles van Hoven de Jonge, papierkoper en fabrikant, was de volgende eigenaar.
Hij werd in 1717 hoofdingeland, waarvoor volgens kavelcondities de eigendom van 20 morgen noodzakelijk was. Hij verkocht echter zijn bezit in de Starnmeer in 1730, voor f 4600. Dat was f 230 per morgen. Een aanzienlijk verlies, maar hij zal door het woeden van de veepest ontmoedigd zijn geweest en bevreesd voor verdere waardedaling. Koper was Huybert Dirksz, die zelf gebruiker werd.
De kavels 43 en 44 werden bij loting toegewezen aan “Juffr” Adriana Cole, de schoonmoeder van jhr. Reynier Pauw. Kavel 44 was slechts 8 morgen en 7 roeden. Zij kreeg daarom het oostelijk deel van 64, ter grootte van 2 morgen als toegift. Ook de en 62 ontving zij bij loting. Haar toegift in het Kamerhop was 3 morgen van kavel 5.
De kavels 49 en 50 vielen toe aan Johan van Gheel, heer van Spanbroek en koopman op Italië en de Levant. Hij was, evenals. Reynier Pauw, een schoonzoon van Adriana Cole. Toen zij overleden was, machtigden Reynier Pauw en Willem van Ruytenburgh in 1648 het polderbestuur om het gehele bezit van wijlen Adriana Cole te stellen op naam van hun zwager Johan van Gheel. Deze werd daardoor, naast Reynier Pauw, met 60 morgen de grootste deelhebber in de polder. Van het restant van kavel 64 bezaten beiden 2 morgen.
Na de dood van Johan van Gheel ontving zijn weduwe de 2 morgen in kavel 64. Johan van Gheel had drie kinderen: Cornelis, Daniël en Maria. De laatste huwde met Jacob van Reygersberg, heer van Couwerve in Zeeland. Cornelis stierf kinderloos in 1682, waardoor het bezit in de Starnmeer verdeeld raakte. Kavels 44, 49 en 50 kwamen in handen van Daniël van Gheel, terwijl 43, 61 en 62 met het restant van 64 in Zeeuwse handen kwam. Cornelis van Gheel, zoon van Daniël, deelde met zijn broer, de heer van Spanbroek. De kinderen van Cornelis overleden allen kinderloos. Het laatst Jan van Gheel, in april 1658. Hij bezat de helft van 44 plus 49 en 50. Kavel 50 lag deels ten noorden, deels ten zuiden van de Middelweg. Jan van Gheel liet zijn bezit na aan zijn neef Gerrit Hooft en aan de kinderen van mr. Hendrik Hooft. Het geslacht Van Gheel was reeds vermaagschapt geraakt aan het geslacht Hooft, dat we kennen door de verbinding met het geslacht van majoor Hasselaar.
De erfgenamen voelden blijkbaar niets voor hun bezit in de Starnmeer. Net zomin als hun oom Jacob Hop en zijn kinderen, in 1722. Verklaarbaar, na de treurige ervaringen met de veepest.
Reeds in mei 1755, een maand na de dood van Jan van Gheel verkochten zij de landerijen publiek te Amsterdam. Koper werd Cornelis Haring te West-Graftdijk, voor f 2400.

Zeer lage huur

Huurder van land en woning was Jan Braak, die het in huur zou houden tot 1 mei 1760 voor 543 gulden, 11 stuivers en 8 penningen per jaar. Dat is ongeveer f 14 per morgen. Een zeer lage huurprijs voor onze begrippen. Jan Braak kocht echter nog in het zelfde jaar het hele bezit van Cornelis Haring voor f 3100, zodat Haring in korte tijd een winst van f 700 had ge- maakt.
Van Jan Braak ging het later over op diens schoonzoon, Arian de Goede. Deze behoorde tot de toonaangevende geslachten van zelfgebruikers na 1800.
De andere helft van 44 ging over aan de heer van Spanbroek, die gehuwd was geweest met zijn nicht, Jacoba van Reygersberg. Uiteindelijk kwam de erfenis aan neef en nicht Jacob en Maria van Reygersberg. Jacob overleed in 1762 kinderloos te Middelburg. Zijn bezit in de Starnmeer kwam toen aan zijn zuster en haar kinderen, allen in Zeeland. Die bezaten toen nr 43, de helft van 44, het restant 64 en de nummers 61 en 62, benevens 8 morgen in het Kamerhop, voordien bezit van de vader en grootvader van Maria van Reygersberg. Zij verkochten hun bezittingen in 1772 aan Cornelis Beck, die op dat tijdstip dijkgraaf en penningmeester van de Starnmeer was.
Deze transactie betrof een hoeve met 30 morgen van de nrs 43 61 en 62, met de boerenwoning op 62; een hoeve van 15 morgen, bestaande uit de helft van 44, de helft van het restant 64, benevens 8 morgen in het Kamerhop met behuizing. De prijs was f 6000.
Aangezien de ene hoeve tweemaal zo groot was als de andere en op beide een boerenwoning stond, kan men de prijs van de ene wel op ongeveer ƒ 4000 stellen en de andere op f 2000. Al heel spoedig verkocht Beck de kleine hoeve aan Pieter Auwelsz Prins voor f 3000. Prins woonde in het Kamerhop. Hij is zeer waarschijnlijk van huurder zelfgebruiker geworden.
Ook de grotere hoeve is verkocht, maar dat gebeurde pas in 1807. Toen verkocht Meynard Beck, de zoon van Cornelis, die zich in Parijs had gevestigd, de kavels 61 en 62 voor f 6200 aan Jan Brouwer en nr. 43 voor f 3300 eveneens. Op 43 stond geen huis. Toch bracht de kavel meer op. Per morgen waren de opbrengsten resp. f 310 en f 330. Ten opzichte van 1772 was de prijs aanmerkelijk opgelopen en er was een goede winst gemaakt.

Huis te Egmond

Dirk Joosten Rijskam, hoogswaarschijnlijk een Amsterdammer, had in de bedijking deelgenomen voor 10 morgen. Hem viel bij de loting kavel 45 ten deel. Hij en na hem zijn zoon woonde op de hoeve “Huis te Egmond”. Het merkwaardige is echter dat er al voor augustus 1643, de datum van de verkaveling, van dat “Huis te Egmond” werd gesproken. Toen kon men echter nog niet weten aan wie een bepaalde kavel zou toevallen. Het lijkt dan ook enigszins twijfelachtig of dit “Huis te Egmond” in de Starnmeer stond. Een twijfel die nog versterkt wordt door het feit dat zich aan de westdijk van de Purmer een boerderij met diezelfde naam bevindt.
Bepalen we ons verder tot de kavel 45, dan kan worden vermeld dat Hector Rijskam deze in 1664 verkocht, tesamen met 4 morgen in het Kamerhop, voor f8000. Dat is ongeveer f 570 per morgen en het betekent aanzienlijk verlies op de kostprijs van de droogmaking, à f 880 per morgen.
Koper was Cornelis Cornelisz Goeman, die woonde in het huis op deze kavel. Goeman was blijkbaar huurder en is zelfgebruiker geworden. Zijn bezit is door vererving verbrokkeld, maar door samenvoeging kwam het geheel weer in één hand, doordat in 1758 Cornelis Pietersz Groot, die getrouwd was met Trijntje Cornelisd Goeman, eigenaar werd. De waarde bedroeg toen f2100 wat neerkomt op f 150 per morgen. Een enorme terugval sinds 1664. Toch was men op dat moment al het diepste dal van de landprijzen gepasseerd.
Het bezit moet verder in het geslacht Groot zijn gebleven tot althans 1811.

Familie Beck

Kavel 46 was bij de loting toebedeeld aan Elisius Hazel te Amsterdam, die ook voor 10 morgen in de droogmaking had deelgenomen. Zijn erfgenamen verkochten de kavel in 1661 aan Willem Cornelisz Beck, telg uit een koopmansgeslacht in De Rijp. Kavel 46 bleef in deze familie, die van lieverlee veel land in de Starnmeer en het Kamerhop verwierf. Diverse leden van de familie Beck hebben deel uit gemaakt van het polderbestuur Daarover elders meer bijzonderheden.
De kavels 51 en 52 werden toebedeeld aan Pieter Menten uit De Rijp. Hij was de eerste penningmeester in het polderbestuur, maar is in 1644 uit die functie gezet. Hij bleef wel in het bezit van het hem toebedeelde land. Na zijn overlijden verkochten zijn beide zoons het. Kavel 51 kwam in bezit van Elisabeth Luyps te Rotterdam om vervolgens door vererving in het Amsterdamse bankiers- en koopliedengeslacht Lups te geraken. In 1686 was Govert Lups eigenaar. Deze heer stond in 1697 op het drietal voor de benoeming van dijkgraaf in de Starnmeer, maar hij werd niet gekozen. Het land bleef in de familie Lups tot 1784. In dat jaar werd het à f 125 per morgen verkocht aan Jan Brantjes. Deze nieuwe eigenaar behoorde omstreeks 1800 tot de toonaangevende families van zelfgebruikers.
De kavel 52 werd door de zoons van Pieter Menten verkocht aan Hendrick Jacobz Roos te Enkhuizen, in januari 1661. Een van de zoons Menten was haringkoper te Enkhuizen. Bij testamentaire beschikking ging de kavel over op de weduwe Roos en na haar weer op een ander, die het in 1701 verkocht aan Meynert Beck, penningmeester van de Starnmeer. Het bleef in zijn familie.
De kavels 55 en 56 vielen toe aan respectievelijk de erven Jan Willemsz Haringhkooper en aan Dieuwer Arents in De Rijp. Er zijn geen verdere bijzonderheden bekend.

De Armen van De Rijp

Heemraad Ysbrant Jansz de Lange verwierf 58. Kavel 57 viel toen aan zijn collega-heemraad Jacob Meyndertsz Jonck. Beide kavels kwamen in 1688 aan de Armen van De Rijp, tot 1772. De Armen van De Rijp hadden dus toch uiteindelijk nog bezit gekregen in de nieuwe polder, zoals in de allervroegste plannen ook de bedoeling was.
De twee “armenkavels” werden steeds tegelijk verhuurd. Ze behoorden tot één bedrijf, met de behuizing op nr 58. Om de drie jaar werd door neutrale personen een schatting gemaakt van de waarde, aan de hand waarvan de pachtprijs werd bepaald. Er werden ook bijzondere voorschriften uitgevaardigd aan de pachters. Van beide kavels moest evenveel worden gehooid. De mest moest beurtelings op de ene en op de andere kavel worden gebracht. Een voorbeeld van wat we nu rationale exploitatie zouden noemen.

En verder

Enkele kavels zijn nog niet genoemd. Aan nr 36 wijden we een speciaal hoofdstuk, waarbij ook de kavels 41, 42 en 39 nog ter sprake komen.
Een ander bijzonder geval betreft nr 63, het laatste te “vergeven” perceel land in de Starnmeer. Het was gewoon over. Er was geen deelnemer aan de bedijking die er meer voor in aanmerking zou kunnen komen. Het is met goedvinden van hoofdingelanden, dijkgraaf en heemraden in openbare veiling gebracht. Koper werd heemraad Willem Claesz Hacket, voor f 496. Hij kreeg als toegift nog een kavel Kamerhops land van kavel 13 aldaar. Deze Willem Claesz was dus geen deelnemer in de bedijking; hij meldde zich als het ware als gegadigde ten tijde van de verkaveling en kon toen door zijn aankoop van 10 morgen land alsnog heemraad worden. Deze kavel ligt in de zuidelijke polderpunt.
Kavel 64 was een andere restkavel, langs de noorddijk bij Spijkerboor, die al bij de verkaveling meteen in gedeelten werd uitgegeven, deels tesamen met nr 44.

Geplaatst op: 16 maart 2024
Cor Booy

0 reacties