Home » Markenbinnen » Markenbinnen historie » Bakkerspad » Bakkerspad 8 en 10

Bakkerspad 8 en 10

Voormalige bakkerij
Bron: Collectie Willem Baartse

Afbeeldingen

Bakkers tegen wil en dank

Willem was niet van plan zijn hele leven bakker te blijven, want het werken in de nacht en een deel van de dag viel hem zwaar. Als hij eenmaal rond de vijftig is en er midden in het dorp een boerderij te koop staat, besluit hij om boer te worden. Zoon Hein neemt de bakkerij in 1905 ondanks zijn jeugdige leeftijd van 22 jaar maar wat graag over, want hij wil op eigen benen staan. Tot groot verdriet van de familie slaat het noodlot in 1918 echter onverwacht toe.
De A-griep heerst in Nederland en Hein is een van de eerste slachtoffers die in Markenbinnen te betreuren vallen. Zijn vrouw, Anna de Goede, blijft met drie jonge kinderen (Willem, Pieter en Wijbrand van 9, 7 en 3 jaar oud) achter, maar wil koste wat kost de bakkerij voortzetten. Ze doet dat samen met de dienstbode, bakkersknecht Arie de Groot en de twee oudste kinderen. Ondanks haar eigen zorgen houdt ze oog voor de sociale nood in het dorp, want brood dat enigszins gedeukt is of te donker gebakken geeft ze voor een sterk verlaagde prijs aan grote gezinnen. Het wordt gemakkelijker zodra haar zoons wat ouder zijn en gelukkig heeft Wijbrand echt zin om bakker te worden. Opnieuw loopt het echter anders dan gepland, want Wijbrand wordt ziek en sterft al op 21-jarige leeftijd.

Tegen zijn zijn moet broer Willem – die veel liever boer wilde worden – van zin moeder de bakkerij voortzetten. Eerst stuurt ze hem naar een bakker in Twisk om de kneepjes van het vak te leren en dan kan hij vanaf 1933 aan de slag in Markenbinnen. Willem ziet er als een berg tegenop om zijn leven tussen de vier muren van de bakkerij te slijten en voorziet een eentonig leven dat alleen bestaat uit bakken, slapen en venten.

Onderduikers

Eentonig wordt het beslist niet, want vanwege de mobilisatie in augustus 1939 wordt Willem als soldaat opgeroepen en laat hij de bakkerij weer achter in de handen van Arie de Groot. Aangezien Nederland kort na het begin van de oorlog al capituleert duurt dit echter niet lang en komt hij eind mei 1940 weer terug naar Markenbinnen. De bakkerij word vervolgens gedurende de oorlogstijd het ‘zenuwcentrum’ van het dorp; allereerst heeft iedereen natuurlijk brood nodig om in leven te blijven en dus kloppen zowel NSB’ers als onderduikers (in de nacht) bij hem aan. Maar er gebeurt nog veel meer! Willem heeft namelijk een groot huis en staat er voor open als mensen vragen of ze bij hem kunnen onderduiken. Zo ziet zoon Ko op zekere dag een flinke groep joodse mensen het pad op komen:

“Het waren wel zo’n twaalf personen en hoewel ze niet onaardig waren, gedroegen ze zich wel behoorlijk vrijgevochten. Zo waren ze zeer luidruchtig, deden nooit het haakje op de wc-deur en gingen bloot zwemmen, wat wij absoluut niet gewend waren. De hele zolder van de stal hadden ze in gebruik en ze sliepen er op strozakken naast elkaar. Mijn moeder vond het allemaal maar vreemd, maar mijn vader glimlachte erom. Ook wilde de groep onder leiding van tante Roos per se een keer voor ons allen koken. Na tegensputteren van mijn moeder kwam het er toch van en dienden ze een uitgebreide rijsttafel op. Het was echter eens maar nooit meer, want het eten was zo gekruid dat onze monden echt in de fik stonden! Ik weet niet meer hoe ze vanuit Amsterdam bij ons gekomen waren en ook niet waarom ze weer weggingen, vader praatte daar het liefst zo min mogelijk over.”

Gedurende de oorlogsjaren is het Meester Daalder die samen met zijn zus de dorpsschool bestiert. De familie Daalder is vaderlandslievend en moet niets van de Duitsers hebben, wat er toe leidt dat de vader van de meester (ook een leraar) moet onderduiken en zo in het schoolhuis terecht komt. Daalder senior is een erudiete man die zijn uiteenlopende kennis graag met de bevolking wil delen. De school is echter gevorderd en daarom wijkt hij uit naar de bakkerij waar hij menig avond een onderhoudende lezing verzorgt. De toegangsprijs voor de toegestroomde dorpelingen bedraagt één houtblok per persoon, de kachel moet tenslotte kunnen blijven branden. In de bakkerij is Daalder sr. sowieso geen vreemde, want zijn dochter en zoon Wouter liggen er zelfs in de kost

Na het vertrek van de joodse mensen dienden zich opnieuw onderduikers aan en hoe toevallig kunnen die op je pad komen. Zoon Hein herinnert het zich nog als de dag van gisteren:

“Op 17 september 1943 werd er door de spoorwegmensen in Nederland massaal gestaakt en vervolgens moesten alle medewerkers onderduiken om aan represailles van de bezetter te ontkomen. In Uitgeest woonde tegenover het station de familie van Rheenen. Vader Piet was onderhoudsmonteur bij de spoorwegen en vluchtte halsoverkop met zijn gezin per roeiboot Uitgeest uit richting Markenbinnen. Ik zat die bewuste middag te vissen op de Marken en keek er van op hoeveel huisraad deze mensen in hun roeiboot hadden weten te stouwen. Naast een dochtertje hadden ze ook een baby van slechts drie weken oud bij zich. Die heette Bert en zou later landelijk bekend worden als Chiel Montagne, de presentator van het TROS-programma ‘Op losse groeven’. Ze vroegen me of ik een adres wist waar ze onder konden duiken en ik zei dat ze het maar bij mijn vader moesten proberen aangezien onze voorkamer op dat moment toch leegstond. Zo kwamen ze bij ons binnen en aangezien Piet van Rheenen zeer ondernemend en technisch was hebben we ook nog heel wat profijt van hem gehad. Zo zette hij vanwege het gebrek aan brandstof in het dorp een complete veenderij op in de polder waardoor de mensen in de winter over voldoende turf beschikten. Ook bouwde hij een windmolen op het dak zodat we onze eigen stroom hadden en clandestien naar Radio Oranje konden luisteren.

De radio in het zoutvat

Door de illegale radio van de familie Oortwijn werd de bakkerij ook de ontmoetingsplaats van het ‘verzet’ in het dorp. Naast de bakker waren het voornamelijk meester Daalder, Piet Pilkes en de familie Noom die er aan deelnamen. Zodra de mannen op de zolder bij elkaar waren werd er een plankje voor het dakraam geschoven, waarna er een lichtje aangedaan kon worden en de radio uit het zoutvat (!) opgediept werd. Willem Oortwijn was met name de familie Noom zeer dankbaar, want zodra Duitsers het dorp naderden kwam altijd een van hen met grote spoed aangerend (of geroeid) om te waarschuwen. Zo ook die dag waarop de Duitsers met een schuit vol gevangenen in de vaart lagen en op zoek gingen naar brood in het dorp.

De onderduikers vluchtten op dat moment al via vlonders het weiland in en hadden geluk, want het was die avond zo mistig dat de soldaten zelfs het eind van het Bakkerspad niet wisten te vinden en onverrichterzake terugkeerden. Bakker Willem had wel in de rats gezeten, want just die dag had hij clandestien een kalf geslacht en het hele huis rook er naar! Natuurlijk wisten ook de NSB’ers in het dorp van de onderduikers af, maar na een ‘stevig gesprek’ met de verzetsmensen hadden deze beloofd het niet door te vertellen en daar hebben ze zich altijd aan gehouden.

Naast alle oorlogsreuring moest er natuurlijk ook nog gebakken worden en dat viel niet altijd mee, want de aanvoer van producten werd steeds onregelmatiger. Geertje Rol, de dienstbode die tijdens de hele oorlog ook meehielp met broodventen, maakte het van nabij mee:

“In het begin van de oorlog viel het nog mee, want we hadden eieren van de eigen kippen, melk en boter van Willem’s schoonvader Koen Nap en de aanvoer van meel van Wessanen was nog redelijk normaal. Maar later nam de schaarste toe en werd er niet meer zeven dagen per week gebakken, maar nog slechts vier keer. Steeds vaker kwamen er mensen met hun eigen meel naar de bakker en vroegen of hij er brood van wilde bakken. Daar rekende hij dan slechts tien cent voor! Ook de welgestelde boeren hadden altijd wat meel in voorraad en als ze een verjaardag hadden dan brachten ze zelfs hun eigen boter en suiker mee en lieten de bakker er dan iets lekkers van maken.

Hij hield ze graag te vriend, want het waren zijn beste klanten. Zelf ging ik in het dorp met twee manden langs de deuren en verkocht wit en bruin brood, ontbijtkoek, roggebrood en beschuit. Aanvankelijk kostte een brood 18 cent. maar later werd dat 24 cent omdat de aanvoer van tarwemeel steeds moeilijker werd. We mengden het zelfs met erwtenmeel en in plaats van gist werd er zoutzuur gebruikt voor het rijzen. Ook de aanvoer van takken om de oven mee te stoken werd steeds lastiger. Wel was alles in de oorlog heel systematisch geregeld met bonnen en vergunningen: de mensen moesten voor het brood betalen en een broodbon inleveren. Die plakte ik dan weer op een kaart en met de volle kaarten fietste ik naar Uitgeest. In ruil daarvoor was er een brief waarmee we bij de meelfabriek van Wessanen weer een nieuwe zak meel konden krijgen. Als een van de weinigen beschikte ik dus de hele oorlog over een fiets, want daar was een rijwielvergunning voor geregeld. Ik kreeg zelfs van de gemeente een bon voor een nieuwe regenjas omdat deze sleet door het hengsel van de broodmand. Bakker Willem Oortwijn verloor ondanks de moeilijke omstandigheden niet zijn humor, want toen tegen het eind van de oorlog vliegtuigen her en der Zweeds wittebrood dropten zei hij: “Ik hoop niet dat ze het hier doen, want dat vind ik toch wel wat erg veel concurrentie!”

De Bevrijding

De oorlog had in en om de bakkerij voor een enorme levendigheid gezorgd en naast de vele mensen hadden er ook nog verscheidene koeien gelogeerd toen het land van een aantal boeren onder water werd gezet. Was het einde van de oorlog daarom wel zo’n bevrijding voor bakker Willem? Het leven werd weer gewoon en voorspelbaar en wat bracht de toekomst eigenlijk voor een bakkerij die zich diep verscholen aan het eind van een pad bevond?

Willem zag eigenlijk alleen nog perspectief als hij overnieuw kon beginnen aan de dijk. Door de sloop van de huizen nabij het fort was daar ruimte genoeg en hij had al hele ideeên over een terras aan het water en zeilers die zouden aanleggen voor een broodje en een glas drinken. Het verhaal gaat dat hij in die tijd de verkoop van zijn huis al wilde stimuleren door te rommelen met de dakpannen zodat het jaartal ‘1862’ niet goed meer leesbaar zou zijn voor potentiele kopers, want een huis van bijna honderd jaar vond hij zelf wel wat oud. Zijn kinderen waren niet enthousiast, want een toekomst als serveerster op het terras, dat trok de dochters absoluut niet en de zoons Ko en Hein waren het venten ook meer dan zat. Ko: “Ik moest geregeld met een schuitje naar De Stierop en dan gebeurde het wel dat het door een golf van een grote boot vol water liep, als je niet uitkeek, dan was al het brood nat.” Ook zoon Hein had minder plezierige ervaringen: “Als je vrij had moest je altijd helpen, dat stopte nooit. Ik weet nog dat mijn vader me op oudejaarsavond om acht uur naar de Woude stuurde om extra oliebollen te bezorgen.

Overal in de huiskamers om me heen hoorde ik feestelijke geluiden, maar ik was nog aan het werk.” Uiteindelijk hoefden de kinderen zich geen zorgen te maken, want de gemeente keurde het plan af en voor Willem was dat het sein om er in 1952 definitief mee te stoppen. De oven, de kneedmachine, alles werd verkocht. Wel wist hij nog voor een aantal jaren de levendigheid in de leeggekomen bakkerij terug te brengen door – zoals eerder vermeld – onderdak te bieden aan een aantal verenigingen. Ook dochter Nel leverde hierin haar bijdrage als assistente bij de knutselclub voor kleuters. Willem trad in dienst bij papierfabriek Van Gelder en verliet later het dorp. Door een grondige verbouwing werd het pand geschikt gemaakt voor bewoning door twee gezinnen en sindsdien houden dochter An en zoon Ko er de herinneringen aan ruim 100 jaar ‘Bakkerij Oortwijn’ levendig.

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *