25 jaar De Tijd

25 jaar De Tijd, Beemster

Hieronder vind u het in 1955 uitgegeven boekje, uitgereikt aan Ys Schoenmaker en Jannie Schoenmaker-Tamming, ter ere van het 25 jarig bestaan van Beemster melkfabriek De Tijd.

Met dank aan Willem Tamming uit Nederhorst Den Berg

In het uitschuifvenster hieronder, kunt u het oorspronkelijke document bekijken
(er kunnen eental reclame vensters verschijnen; als u deze weg-klikt verschijnen ze op een gegeven moment niet meer).

25 jaar De Tijd

25 jaar de tijd - 004a blz1

25 jaar de tijd - 006a blz3

Bij het zilveren jubileum van de
COÖPERATIEVE ZUIVELFABRIEK “DE TIJD” G.A.
te Beemster

Voorwoord

Door K. Hogetoorn Dzn.

25 jaar de tijd - 008a blz5 - K. Hogetoorn Dzn.

K. Hogetoorn Dzn.

 

Gaarne voldoe ik aan het verzoek van de schrijver van dit gedenkboek, om een woord te schrijven ter inleiding, omdat ik het voor onze streek wel van belang acht, dat de geschiedenis van de geboorte en de groei van onze fabriek, kort maar smakelijk saamgevat, aan de vergetelheid wordt ontrukt. Het kan het jonge geslacht tonen, dat niets vanzelf tot stand komt, maar dat er gewerkt en gezorgd moet worden om iets goeds en nuttigs klaar te maken.

En in degenen, die in deze 25 jaren hun steentje aan ontstaan en opbouw hebben bijgedragen, kan het de voldoening versterken van een vruchtbare arbeid met een goed resultaat. Want het mag gezegd worden, dat bier, onder in vele opzichten moeilijke omstandigheden, nuttig werk is verricht voor de boerenstand van onze polder en omgeving.

Dankbaar gestemd jegens bestuurders en leden, en niet minder jegens ons personeel van hoog tot laag, beveel ik dit boekwerkje ten zeerste bij U aan, daarbij hopende, dat het bij de ouderen goede herinneringen moge opwekken en voor de jongeren een aansporing moge zijn het goede werk met toewijding voort te zetten.

K. HOGETOORN, Voorzitter.

25 jaar “De Tijd”

Met dit boekwerkje, uitgegeven in opdracht van het Bestuur, heb ik getracht 25 jaar wel en wee van”De Tijd” te beschrijven.

Terwille van de leesbaarheid heb ik dit gedaan in de vorm van een denkbeeldig gesprek, waarbij ik mij, om het boek in be-scheiden formaat te houden, heb beperkt tot de voornaamste feiten en gebeurtenissen.

Wanneer ik er, naar Uw mening, in geslaagd ben een lezenswaardig geheel samen te stellen, dan is dit voor een groot deel te danken aan de medewerking, die mij in zo ruime mate ten deel is gevallen.

Het is me dan ook een ware behoefte om een ieder, die mij in dit verband op enigerlei wijze van dienst is geweest, vanaf deze plaats hartelijk te danken.

Beemster, April 1955.

J. BEKHOF.

25 jaar de tijd - 011a blz8

Beemster – Voorjaar 1930

BEEMSTER
VOORJAAR 1930

De polder is uit zijn winterslaap ontwaakt en tooit zich met een onvolprezen lentekleed, waarop de wit tot zacht rose tinten van bloeiende boomgaarden in schoonheid wedijveren met de stralende pracht van het goudgele veldbouquet.
Langs de strakke, door brede sloten geflankeerde wegen breekt het groen weer uit de twijgen van het opgaand geboomte, dat ons polderlandschap een zo geheel eigen karakter schenkt.

Het zwartbonte vee is snuivend van verlangen met malle sprongen uit de stallen de frisgroene weiden ingerend, de jubelende vogels verstorend, die juist zijn neergestreken na hun verre zwerf-tochten in het zuiden.

Een nieuwe Lente. — Meer dan drie eeuwen hebben de seizoenen zich in de Beemster reeds afgewisseld. Het boerenleven richt zich naar de jaargetijden en men weet dat na de betrekkelijke rust van de winter het voorjaar alle krachten wekt tot arbeid op de akker.

De stallen zijn ruim en krijgen hun grondige schoonmaakbeurt, maar er moet vlug geschrobd worden, want er is buitenwerk to over.

Een nieuwe Lente. Een nieuw Geluid!

Inderdaad, want in dit voorjaar van 1930 voltooien ambachtslieden en technici een belangrijk bouwobject aan de Rijperweg.

Een moderne zuivelfabriek, gesticht door een aantal Beemster boeren, die hun tijd begrepen.

Is het een wonder, dat de initiatiefnemers met meer dan bijzondere verwachtingen dit voorjaar hebben tegemoet gezien? Nee! Zeer zeker niet.

Evenzeer als te begrijpen valt, dat nu, voorjaar 1955, de nog in leven zijnde pioniers van Coen, met grote belangstelling, sommige zelfs met spanning uitzien naar de dag, waarop het zilveren jubileum zal worden herdacht van de Coöperatieve Zuivelfabriek „De Tijd”.

Een van deze pioniers — reeds vele jaren rustend veehouder werd door het bestuur geïnviteerd om in het kantoor deel te nemen aan een bespreking in verband met het aanstaande jubileum.

Wanneer men zo plotseling weer betrokken wordt bij het werk, dat men al lange tijd aan anderen heeft overgelaten, begint er weer jets op te leven van de oude warme belangstelling en activiteit en zo stellen wij ons voor, dat zijn geest zich reeds dagen voor de bespreking heeft bezig gehouden met het wel en wee van de fabriek, waaraan hij zovele herinneringen heeft en die eenmaal een belangrijk deel van zijn tijd in beslag nam.

Zijn vrouw, niet denkende aan de uitnodiging, vindt hem die laatste dagen verbazend afwezig en voor zijn doen heen-en-werig. Ze kan zich niet langer stil houden en informeert wat er toch aan de hand is. „Als ik je wat vraag, zeg je „ja” als het „nee- moet zijn en omgekeerd, wat heb je toch?”

„Wat ik heb? Niks natuurlijk, wat zou ik hebben?”

Maar daarmee is de kous niet af. Een vrouw is niet gerust, voor ze weet wat haar man op het hart heeft.

„Wel, als je het dan weten wilt, ik leef een beetje in spanning in verband met die bespreking op het kantoor van „De Tijd”.

„Wel, daar zag je vroeger niet zo tegen op, zou ik menen,” is haar antwoord

„Precies, nou ook niet hoor, maar nu mij gevraagd wordt al mijn herinneringen op te halen om deze te kunnen verwerken in een gedenkschrift, zit je wel eens te piekeren. Je weet, dat herinne-

25 jaar de tijd - 014a blz11

ringen langzamerhand vervagen en daarom tracht ik ze nu wat op te frissen, snap je.”

„Ik snap het, maar maak je niet te druk, want je bent aanstonds de zeven kruisjes gepasseerd en dat gedenkboek komt heus wel voor elkaar.”

„O ja, dat geloof ik best, maar je begrijpt toch, dat ik als mede-oprichter graag uitdrukking wil geven aan mijn gevoel van blijdschap, dat onze fabriek na 25 jaar is uitgegroeid tot een gezond en trots bezit van onze boeren en dat zij met vele zusterorganisaties in het land een machtig wapen is geworden in de strijd voor de welvaart van de boerenstand in de huidige samenleving.”

„Inderdaad, ik heb vroeger wel eens gemopperd als je al weer voor „De Tijd” op stap ging en ik de biggen moest voeren nu ben ik er toch ook wel trots op dat jullie vijf en twintig jaar geleden zoveel tijd hebt opgeofferd om „De Tijd” te stichten. En ik vind het ook prettig, dat het bestuur van nu jullie arbeid naar waarde weet te schatten.”

„Ja, dat is ook prettig en daarom wil ik morgen goed beslagen ten ijs komen en alles vertellen, wat ik over de eerste vaak moeilijke jaren kan mededelen. Laat me dus nu maar een tijdje prakkiseren.”

Begrijpend gaat zijn vrouw naar de keuken en gezeten in de leuningstoel, met het oog gericht op een luchtfoto van het fabriekscomplex, overdenkt onze mede-oprichter de beste jaren van zijn leven, toen hij geroepen was vooraan te staan in het gelid van hen, die inhoud en gestalte gaven aan de thans jubilerende vereniging.

 

 * * *

Met een tevreden glimlach stapt ons oud-lid, mede-oprichter van de fabriek, de volgende morgen het kantoor van „De Tijd” binnen.

Tevreden niet alleen omdat ze hem keurig op tijd hebben afgehaald, maar ook en vooral omdat hij op het punt staat te voldoen aan een verzoek dat hem bijzonder aangenaam is.

Tot zijn genoegen constateert hij, dat de andere deelnemers aan het gesprek reeds aanwezig zijn, n.l. de heren Hogetoorn en

Van Diepen, voorzitter en secretaris van het bestuur, Knip en Bleeker, resp. voorzitter en secretaris van de Raad van Commissarissen, Prikken, directeur en Bekhof, boekhouder, die de nu volgende gesprekken zal samenvoegen tot een overzichtelijk geheel.

De begroeting is allerhartelijkst; er wordt direct een stoel bijgeschoven. Aan alles is te merken, dat de aanwezigheid van het oud-lid bijzonder op prijs wordt gesteld.

Met de secretaris, de heer Van Diepen, die eveneens tot de oprichters behoort, wordt ogenblikkelijk contact opgenomen. „Blij je te zien man. Dat is toch een tijd geleden, dat we elkaar hebben gesproken. Thuis alles goed?”

„Dank je, best. Of het een tijd geleden is. En het is nog langer geleden, dat we met een man of wat de oprichting van de nieuwe fabriek bespraken.-

„Ja, waar blijft de tijd. Ik hoor de oude heer Van Baar nog zeggen: „Mijne Heren, wij moeten deze gelegenheid tot samen-werken ten voile aangrijpen.”

„En dan dat korte, bewogen gesprek op de varkensmarkt te Purmerend, waarbij Otjes en Klaver voorstellen deden. Ik zie ze nog staan.

„Ja, ik ook. Het was toch een wonderlijke situatie, men was al met de afbraak begonnen!”

Hier mengt voorzitter Hogetoorn zich evenwel in het geanimeerde gesprek en zegt: „Hoor ‘s mensen, zo gaat het niet goed. Dat wordt een verhaal wat als los zand aan elkaar hangt en U weet, dat moeten we nu net niet hebben. U kent de bedoeling van ons gesprek: we gaan met elkaar eens een boom opzetten over onze jubilerende fabriek. En dan gaat het er niet alleen om, dat de geschiedenis uit de doeken wordt gedaan, nee, we willen ook nog graag wat horen over de huidige stand van zaken. Een blik in de toekomst ten aanzien van de taken die ons wachten, zal eveneens welkom zijn. We denken hierbij hardop en bovendien: vragen staat vrij. Wil ons oud-lid, onze welkome gast, dan maar beginnen. Bekhof schrijft wel.”

„Met genoegen, voorzitter. Ik ben er voor klaar.” Onze „gast” glundert. Het loopt kennelijk geheel, zo hij het zich heeft gedacht.

 

Om tot een goed begrip van de situatie te komen stel ik voor, dat we een kleine duik in de historie nemen”, zegt hij. „We gaan daarbij terug tot omstreeks 1900. Door aller-lei oorzaken, o.a. door personeelsgebrek, werd in Noord-Holland het kaasmaken van de boerderij verplaatst naar de zogenaamde „dagkaasfabrieken”. U weet hoe dat ging. De gewonnen avondmelk werd op de boerderij bewaard tot de volgende morgen, vervolgens afgeroomd en tezamen met de verse morgenmelk naar genoemde fabrieken gebracht. Of beter gezegd, fabriekjes, want dat waren het toch eigenlijk. De boter werd dus nog op de boerderij gemaakt.”

„Ik heb meer dan eens gehoord, dat het melkvervoer door de boeren zelf werd verzorgd en dan veel met hondenkarren. Aan de betrouwbaarheid van die verhalen twijfel ik niet”, aldus de heer Knip. ,,Maar ze hebben me wel eens wijs willen maken, dat er een Boer geweest is die een schaap voor z’n melkkar spande. Was dat werkelijk zo?”

„Ja zeker. Dat was inderdaad zo. Ik heb de man in kwestie zelfs heel goed gekend. En wat die hondenkarren betreft, ook dat is volkomen waar. Tenminste aanvankelijk gebruikte men honden. Later werd het vervoer met hondenkarren praktisch onmogelijk door de invoering van de z.g. trekhondenwet. Daarna werd nogal veel gebruik gemaakt van Russische ketten. — Maar om

op m’n verhaal terug te komen, de ene dagkaasfabriek na de andere werd in de Beemster in het leven geroepen. „De Hoop” aan de Zuiderweg was de eerste, spoedig gevolgd door vele anderen: „De Wilhelmina” aan de Hobrederweg. „De Unie” aan de Volgerweg. Voorts „De Vlijt”, „De Eendracht”, „De Bamestra”, „De Toekomst”, „De Volharding” en „Arcadia”.

Intussen was in andere streken van ons gewest weer een nieuw type fabriek tot ontwikkeling gekomen, de „zoetfabrieken”, zoals we die thans overal aantreffen. Om enkele te noemen: „Concordia” te Oudendijk, „Ons Belang” te Middelie en „Neerlandia” te Stompetoren.

„He, deze fabrieken zijn dus aanmerkelijk ouder dan „De Tijd” ?

„Ja, voor een buitenstaander klinkt het wonderlijk als we zeggen „ouder dan de tijd”, maar de opmerking is in dit verband inderdaad juist.

In tegenstelling tot de dagkaasfabrieken werd aan de zoetfabrieken uitsluitend volle melk afgeleverd, waardoor de boerin ook van het botermaken werd ontheven. De werkzaamheden verbonden aan de boter- en kaasproductie werden dus geheel door de fabriek overgenomen en het behoeft geen verwondering te wekken, dat op de duur ook in de Beemster stemmen opgingen om te komen tot de stichting van „zoetfabrieken”.

,,U zegt fabrieken. Was het niet verstandiger geweest om direct te praten over een groot bedrijf?”

„Zo zouden we er nu over denken, Bleeker. Maar vergeet niet, dat we een dertig jaar geleden nog niet dadelijk dachten aan het groot-bedrijf van vandaag. Hetgeen intussen niet wegneemt, dat er wel serieuze pogingen zijn ondernomen om tot samenwerking te komen. Maar alle pogingen leden aanvankelijk schipbreuk, ondanks de goed bezochte bijeenkomsten, waarin het woord werd gevoerd door de heren D. de Boer Dzn. te Stompetoren en Dr. L. T. C. Schey, de toenmalige rijkszuivelconsulent voor Noord-Holland.

De drang tot verandering bleef evenwel aanhouden en toen er van samenwerking geen sprake scheen, besloten de leden van „De Wilhelmina” op 19 December 1928 de fabriek om te bouwen tot een zoetfabriek. Als bouwkundige werd hiervoor aangezocht de heer C. J. van der Oord, destijds hoofdopzichter van het waterschap De Beemster.

Zo ging aannemer Wittebrood, die het werk na een openbare aanbesteding was gegund, op 11 Maart 1929 aan de slag en begon met de verbouwing. Of, om duidelijker te zijn, hij begon met de afbraak, want dat moest natuurlijk eerst gebeuren.

De verteller pauzeert een ogenblik; hij moet even nadenken.

De directeur maakt van deze gelegenheid gebruik en zegt: „Nu begrijp ik, wat daarstraks werd bedoeld met die afbraak. En verder?”

Alvorens zijn verhaal te vervolgen, kijkt ons oud-lid de kring eens rond en merkt dan op: „Behalve misschien de heer Knip, kent U allen de heer J. N. van Baar Sr., in de dagen, waarover ik thans spreek, voorzitter-directeur van „De Wilhelmina”. Wel, die beleefde op Dinsdag 12 Maart ’29 de dag van zijn leven. Luister maar.

‘s Morgens reed hij met zijn bakwagen, op weg naar Purmerend, langs de fabriek, waar de timmerlui de vorige dag met slopen waren begonnen. Nu weten we allemaal wat dat betekent, doorgaans een weergaloze bende, nietwaar. Zo ook bij „De Wilhelmina”.

Van Baar aanschouwde de ruïne. Hij zei niks, maar dacht fiks. En ik weet wat hij dacht; hij heeft het me meermalen verteld.”

„En dat was?”, aldus de vraag van de voorzitter.

„Hoe vlugger gegaan, hoe eerder gedaan.” Bovendien weet ik ook, wat hij beslist niet dacht: Dat hij binnen 2 uur met een taxi weer op het fabrieksterrein aanwezig zou zijn om uit te roepen: ,,Mannen, stoppen!”

Het kleine gezelschap ziet de verteller vragend aan.

„Ja, daar horen jullie van op, ik zie het aan de gezichten. Maar het gebeurde.

Want wat was het geval? Ook bij „De Unie” aan de Volgerweg broeide al lang iets. Alleen, ze wisten niet goed raad met het geval.”

 

„Ze konden zogezegd het ei niet kwijt”, merkt Knip op.

„Ha, ha. Goed gezegd; volkomen waar. Maar de ideeën waren prima, men wilde samenwerken. Hierover werd door enkele aandeelhouders druk gediscussieerd op de varkensmarkt te Purmerend, juist op het ogenblik waarop Van Baar met zijn bakwagen kwam aanrijden. Hij werd direct staande gehouden door Piet Otjes en Jan Klaver, bestuursleden van „De Unie”, die riepen: „Man, stap af. Je komt of je geroepen bent. Het ijzer is nu heet, we moeten het smeden!”

En heren, het ijzer was heet. Na een kort, maar ernstig gesprek, waarin Otjes doel en streven van zijn bestuur uiteenzette, werd besloten om binnen 3 dagen met de leden van beide fabrieken te vergaderen. Er werd echter nog meer besloten, nl. tot stopzetting van de afbraakwerkzaamheden aan „De Wilhelmina”.

„Daarom was Van Baar zo vlug weer bij de fabriek terug! Het is me volkomen duidelijk”, zegt de voorzitter.

„De gebeurtenissen volgden elkaar nu snel op”, zo vervolgt verteller zijn verhaal. „Reeds op 14 Maart ’29 waren te Middenbeemster de leden van „De Unie” en „De Wilhelmina” in vergadering bijeen. Tevens waren aanwezig de bestuursleden van „De Bamestra” en „De Toekomst”. Het doel was om door samenwerking te komen tot een fabriek.”

„En dat lukte direct?”, vraagt de heer Bleeker.

„Ja, dat wil zeggen „De Wilhelmina” en „De Unie” besloten in dezelfde vergadering nog tot samenwerking. Er werd een commissie van voorbereiding in het leven geroepen bestaande uit de heren: G. Haan, H. van Diepen, P. Otjes Mzn., J. de Heer’, W. P. Koning, C. A. van Diepen, Jn. Klaver en J. N. van Baar, die tot voorzitter werd aangewezen.

Het eerste werk van deze commissie was te komen tot de oprichting van de vereniging, die op voorstel van de heer P. Otjes Mzn., „De Tijd” werd genoemd.

Met animo werd het werk aangepakt en reeds op 8 April 1929 waren we met z’n allen in tegenwoordigheid van Notaris van Woerden in „De Wilhelmina” bijeen voor het passeren van de akte tot oprichting en vaststelling van de statuten.”

„Dat was dus een historische vergadering”, merkt de directeur op.

„Zeer zeker. Het waren drukke en spannende dagen, maar daar heb je op dat moment niet zo’n erg in. Eerst later kom je tot het besef, dat er bergen werk verzet zijn en dat de oprichting voor ons boeren veel heeft betekend. Dat wij ouderen in menig opzicht het spits voor een volgende generatie hebben afgebeten.

Het ledenregister werd tijdens de oprichtingsvergadering door 37 veehouders getekend. Jullie moeten het me niet kwalijk nemen, dat ik alle namen niet meer uit m’n blote hoofd ken. Ik heb ze daarom op papier gezet en zal ze U even voorlezen.

Per 8 April 1929 tekenden het ledenregister:

J. N. van Baar

P. Houtman

D. Koning Dz.

K. Akkerman Dzn.

P. Waal

P. Smit Kzn.

P. Otjes Mzn.

J. A. Koning Jz.

C. Bleeker

G. Haan

L. G. Kreuger

C. A. Koning Jz.

Jac. Noome

J. Th. Koning Jz.

S. Bleeker

Jan Klaver

N. P. Koning Jz.

K. de Boer Jz.

C. A. van Diepen

K. Otjes

P. J. Groot Cz.

P. Otjes IJzn.

K. Eyssen

Th. P. Koning Jz.

Jan Duyn

K. Bol

R. Bakker

A. Huiberts

C. Fok

Wed. C. Boots

P. Kooij

J. de Heer

Jac. Hartog

H. van Diepen

W. P. Koning

W. Jongens

Jac. Klaver

 

 „Juist”, zegt de voorzitter. „Dat was dus het begin. De wordingsgeschiedenis, als ik het zo noemen mag. Hoe liep het nu verder, ik bedoel met de bouw van de fabriek en zo?”

„Allereerst werd een definitief bestuur benoemd bestaande uit de heren:

 

J. N. van Baar, voorzitter

J.N. van Baar

K. Akkerman, secretaris

 

P. Otjes Mzn., penningmeester

 

Jn. Klaver

Jn. Klaver

C. A. van Diepen, Secretaris sedert 4 Februari 1936

C.A. van Diepen

Jac. Noome

Jac. Noome

G. Haan

 G. Haan

Dit bestuur werkte de plannen verder uit. Contact werd opgenomen met de bouwcommissie van de Noord-Hollandse Zuivelbond en de architecten D. S. de Boer te Alkmaar en C. J. v. d. Oord te Beemster en reeds op 22 Mei 1929 kon aan de ledenvergadering een globaal plan worden voorgelegd. Omtrent de plaats waar de fabriek gebouwd moest worden waren twee voorstellen, nl. 1e. op het terrein naast „De Wilhelmina” en 2e. op een terrein gelegen aan de Rijperweg bij de Westersloot. De grond hiervoor werd tegen een zeer redelijke prijs beschikbaar gesteld door de heer Jan Hartog van de Wormerweg.

Het besluit van de leden is jullie bekend: nieuwbouw aan de Rijperweg. Voor de inventaris en de technische installatie was inmiddels het Technisch Bureau van de Nederlandse Zuivelbond ingeschakeld.-

„Was na het nemen van dit besluit de ergste drukte voor het bestuur voorbij?”

„O jeetje nee. Ik heb wel begrepen, dat bij zoiets veel meer komt kijken dan een buitenstaander vermoedt. lk wil nu niet alle besprekingen en vergaderingen die gehouden zijn opnoemen; dat zou te ver voeren. Laat ik volstaan met de voornaamste te memoreren:

6 Juni 1929:
Met architecten en bouwcommissie de fabrieken „Neerlandia” te Stompetoren, „Aurora” te Opmeer en „Nieuw Leven” te ‘t Zand bezichtigd.

 

16 Juni:
Bespreking crediet-voorziening. Gelden werden beschikbaar gesteld door de Coop. Boerenleenbanken te Middenbeemster en Z.O. Beemster ( Purmerenderweg ), alsmede door de Nutsspaarbank te Middenbeemster.

10 Augustus:
Aanbesteding in „Het Heerenhuis” te Middenbeemster.

23 Augustus:
Na enige moeilijkheden met de begroting gunning aan de laagste inschrijvers, de heren Matser en Hamstra te De Rijp. Inschrijvingsbedrag ,f 78.800.

9 November:
Een historische dag. Door voorzitter Van Baar wordt, begunstigd door prachtig herfstweer, de eerste steen gelegd.

Naast de door mij genoemde vergaderingen zijn natuurlijk nog ettelijke besprekingen gevoerd over de bouw en de inrichting van de nieuwe fabriek, dat voelt U wel. Maar gaandeweg kwam alles voor elkaar en toen de definitieve rekening werd opgemaakt, bleek het geheel fl. 155.435,61 te hebben gekost. Dat zou vandaag de dag een belangrijk hoger bedrag vorderen.”

Verteller vouwt zijn lijstje, waarop geen 5 maar zeker wel 10 a 12 officiële vergaderingen staan vermeld, weer zorgvuldig toe.

„Als we bedenken”, zo vervolgt hij dan zijn relaas, „dat ook het werk op de boerderij uit de aard der zaak de nodige aandacht vroeg, moeten we grote bewondering hebben voor de werkkracht van ons eerste bestuur. Vooral door het dagelijks bestuur is op een voor hen moeilijk terrein veel en verantwoordelijk werk verricht, in het bijzonder door Van Baar, die zeer terecht glunderde toen op Maandag 19 Mei 1930 het bedrijf gereed was en de eerste melk aangevoerd kreeg. Bijna alle leden waren getuige van deze gebeurtenis.”

„Ik kan me levendig indenken, dat dit een grote gebeurtenis voor U allen is geweest”, zegt de voorzitter. „Was het tevens de officiële opening?”

„Nee, die vond plaats op 4 Juni 1930 in tegenwoordigheid van leden, bestuur en genodigden, o.a. de heren H. K. Koster. destijds voorzitter van de Noord-Hollandse Zuivelbond, S. van

 

Buuren, Th. v. d. Meer en D. Jongejans, leden van de Bouwcommissie, Dr. L. T. C. Schey, rijkszuivelconsulent, C. Fok, dijkgraaf van Beemster, H. Zijp, waarnemend burgemeester, C. P. Hartog en Jb. IJff, wethouders van Beemster. Voorts vertegenwoordigers van genoemde banken, medewerkers van het Technisch Bureau, architecten, opzichter H. Tauber en aannemers.

Na een rondgang door het nieuwe complex werden in Café van Leeuwen aan de Klaterbuurt de sluizen der welsprekendheid wijd geopend. Daar werden dure woorden gesproken, dat zeg ik U. Zonder uitzondering was men vol lof over hetgeen tot stand was gekomen en vertrouwde men op succes in de toekomst.

Zo heren, dit was dan het officiële begin van „De Tijd”. Het was me werkelijk een genoegen om voor U herinneringen op te mogen halen aangaande de oprichting van onze fabriek. De oprichting waaraan ook ik heb kunnen meewerken, waarvoor ik nog steeds dankbaar ben.

O zeker, er zijn fouten gemaakt. Hoe kan het anders; het zou onzin zijn dit te ontkennen. Maar dat de bouw van de nieuwe fabriek ten voile verantwoord was, wordt het beste bewezen door de grote vlucht, die het bedrijf na de moeilijke aanloopperiode heeft genomen.” 

„M’n compliment voor Uw uitstekende geheugen”, aldus de voorzitter. „Hartelijk dank alvast voor dit gedeelte van het verhaal: dank voor het vele werk wat jullie oprichters een vijf en twintig jaar geleden mede voor ons, toen nog jonge boeren, hebben verricht.

Pet af voor het verleden,
Jas uit voor de toekomst!”

„Bravo!-, roept de heer Knip uit. „Over dure woorden gesproken. Ik zou zo zeggen jullie kunnen er hier ook wel mee terecht. Dat neemt evenwel niet weg, dat ik volop geniet. Maar voor een ander misschien verder gaat, mag ik van U weten wat U bedoelde met de opmerking over gemaakte fouten?”

„Natuurlijk mag U dat weten; in een coöperatie hebben we geen geheimen en spelen we steeds open kaart. Dat is U bekend.

En wat die fouten betreft, ik dacht hierbij in hoofdzaak aan de ongetwijfeld onjuiste opvattingen die in de beginne werden gehuldigd ten aanzien van de technische en commerciële leiding van het bedrijf. De meerderheid in het toenmalige bestuur was tegen de benoeming van een technisch onderlegd directeur.”

„Wat achteraf fout is gebleken?!”

„Dat wil ik niet direct ontkennen, maar hoe gaat het. Van achteren kijk je een peerd in z’n eh… je weet wel. Bovendien moeten we, om over de gang van zaken een zo juist mogelijk oordeel to vellen, niet uit het oog verliezen, dat het in de voormalige dagkaas-fabrieken, die een zeer plaatselijk karakter droegen, meestal gemoedelijk toeging. Daar, zoals reeds is verteld, de boeren zelf voor het melkvervoer zorgden, spraken zij elkaar dagelijks en waren met de gang van zaken in de fabriek goed op de hoogte. De fabriek was voor de „deelhebbers” een waar centrum; de binding hiermee was van geheel andere aard dan bij de huidige bedrijven.

Ik kan me daarom best voorstellen, dat velen, hoewel overtuigd van de noodzaak, de dagkaas-fabrieken met een tikkeltje weemoed zagen verdwijnen en dat niet iedereen zich hiervan direct los kon maken.

Dat wij boeren veel verder moeten zien dan eigen erf is nu nog niet eens tot een ieder doorgedrongen, laat staan van toen.

De dagelijkse leiding van „De Tijd” bleef derhalve in handen van bestuursleden. Jan van Baar werd, denkelijk niet geheel met zijn volle instemming, voorzitter-directeur, Klaas Akkerman secretaris. Jan Klaver nam de binnenlandse kaasverkoop op zich.

Personeel, ten dele van „De Unie”, was intussen benoemd.

De start van de fabriek was goed. Ik herinner me, dat reeds in het eerste boekjaar belangrijk meer melk werd ontvangen, dan verwacht werd. In het boekjaar 1930/1931 werd ruim 3,5 miljoen kg verwerkt; in het boekjaar 1933/1934 was deze hoeveelheid reeds gestegen tot 5,8 miljoen kg. Deze stijging werd veroorzaakt door het toetreden van z.g. losse leveranciers, niet alleen uit eigen omgeving, maar ook uit De Rijp, Graft en van de Kanaaldijk.

Mede door de allengs in hevigheid toenemende crisis daalde daarna de melkaanvoer weer. De exploitatie werd eveneens ongun-

C.A. van Diepen, secretaris sedert 4 Februari 1936

 

stiger. Een sedert de oprichting aan het bedrijf verbonden employe, die intussen met de dagelijkse leiding en de verkoop was belast, bleek niet geheel voor zijn taak berekend te zijn. De moeilijkheden spitsten zich toe en zodoende werd besloten tot het benoemen van een technisch directeur. Hoe dat in z’n werk is gegaan wil Van Diepen wel vertellen, denk ik.”

„O, hebben jullie me daarvoor nodig”, is diens antwoord. ,,Mooie kerels; maar goed we zullen het woord overnemen. Ik weet me de gang van zaken nog vrij goed te herinneren.

Het was 19 Februari 1935, dat het bestuur na een geplaatste oproep, uit een lijst van 33 sollicitanten een 4-tal opmaakte. De alfabetische volgorde hiervan was: De Boer te Middelie, Boersma te Giethoorn, Knol te ‘t Zand en Prikken te Frederiksoord.

Besloten werd, dat 4 bestuursleden, t.w. Otjes, Klaver, Houtman en mijn persoon deze heren zouden bezoeken. De heer Van Buuren van de Zuivelbond maakte de reis als adviseur mee. Voorzitter v. Baar kon niet wegens ziekte.

Op 21 Februari, ‘s morgens om 5 uur, vertrokken we met Jan Beunder in een niet bijzonder comfortabele auto. De tocht ging via Amsterdam over de Veluwe naar Giethoorn, ons eerste doel.

Het werd een Barre tocht, met niets anders dan storm en reden. Het was ons geluk, dat we reden met een uiterst bekwame en kalme chauffeur, zodat we ons ondanks alles, volkomen op ons gemak voelden.”

„En de ontvangst bij de kandidaten”, vraagt Knip.

„Die was dik in orde. Ik zal nooit vergeten, dat we van Mevrouw Prikken een paar dikke Drentse worsten meekregen voor onderweg. Zij was kennelijk bezorgd, zeker ook al door het slechte weer. Ik zie ons in de auto nog zitten kauwen op die droge worst. Beunder kreeg eveneens zijn deel, maar had ook, net als wij, de grootste moeite om het gerecht te verwerken.

Henk Tol - 25 jaar De Tijd - Technisch Directeur sollicitanten 

Al met al was het laat in de avond, dat we over de Afsluitdijk in ‘t Zand aankwamen en het was nacht voor we thuis waren. Onze thuiskomst betekende voor de meeste van de achtergebleven vrouwen een ware opluchting. En door het noodweer en als gevolg van een Vrijdags tevoren plaats gevonden ernstig auto-ongeluk in de Wieringermeer, waarbij o.m. een Beemsterling de dood vond, hadden ze duizend angsten uitgestaan en nauwelijks of nog in het geheel niet geslapen.”

„En de benoeming?”

„Die vond, nadat we op een andere dag nog een bezoek hadden gebracht aan Middelie, Zaterdags de 23ste Februari 1935 plaats ten huize van de voorzitter. Jullie weten wie het werd, de huidige directeur Prikken.”

„Ja en ook weten we, dat de keus goed is geweest. Het was een doorpakker en die hadden we toentertijd hard nodig”, merkt onze gast op.

„Volkomen waar”, antwoordt Van Diepen. „Ik sprak zojuist over slecht slapende vrouwen, maar neem van mij aan, dat in die tijd ook meerdere mannen, leden van onze fabriek, slapeloze nachten hadden. De financiële positie van onze vereniging was buitengewoon moeilijk geworden; het voortbestaan van de fabriek stond op het spel.

Het ging er bovendien niet alleen om het aangezicht van onze eigen jonge vereniging te redden, maar eigenlijk dat van de plaatselijke boerenstand in het algemeen.

De ledenvergadering besloot daarom op advies van de nieuwe directeur en van de heer Oosterbeek, destijds accountant te Edam, tot een gevoelig financieel offer. Het was hard, maar helaas nodig.”

De woorden van de secretaris zijn ernstig, hoewel zonder enig verwijt. 

„Het was de moeilijkste periode in het bestaan van onze fabriek”, zo vervolgt hij, „doch dank zij de eendrachtige samenwerking tussen leden, bestuur, commissarissen en directeur zijn we er weer bovenop gekomen. Wij herwonnen het vertrouwen.

H. Prikken


H. Prikken Directeur van 23 Februari 1935


En vertrouwen in de coöperatie betekent veel, heel veel zelfs. Dat heb ik in al die jaren bij herhaling ondervonden. Het stimuleert een gezonde wisselwerking tussen bestuur en directie enerzijds en de leden anderzijds.

Binnen niet al te lange tijd hoop ik de 65-jarige leeftijd te bereiken, waardoor ik als bestuurslid moet aftreden. Bij die gelegenheid zou ik dan willen zeggen:

 

 

Leden,
geeft Uw vertrouwen;
bestuur en directie,
toont, dat U dit vertrouwen verdient!”

 

 

Ons kleine gezelschap knikt instemmend; het eenvoudig maar eerlijk betoog heeft diepe indruk gemaakt.

De heer Bleeker is de eerste, die het stilzwijgen verbreekt en zegt: „Dus als ik het goed begrijp, dan treedt U spoedig als secretaris af. Hoe lang bent U dit nu al geweest?”.

„Bij de oprichting werd ik reeds tot bestuurslid verkozen en dit ben ik, met uitzondering van de periode Mei ’31 tot April ’32 tot vandaag de dag gebleven. Van 4 Februari ’36 af, (als opvolger van de heer K. Akkerman), tot heden ben ik secretaris.”

U hebt dus al heel wat vergaderingen in het belang van de fabriek bijgewoond!”

„Over vergaderingen gesproken. — Tot aan het ogenblik waarop de directeurswoning met kantoren in gebruik kon worden genomen, dat was in September ’39, hadden we slechts de beschikking over één kantoor.

In dit (kleine) kantoor hielden we niet alleen de bijeenkomsten van bestuur en commissarissen, maar ook de ledenvergaderingen!

Bestuur per 1 mei 1955


Het bestuur per 1 Mei 1955 Van links naar rechts: 


J. N. Al; J. N. van Baar; P. Kistemaker; K. Hogetoorn, voorzitter;
C. A. van Diepen, secretaris; H. Prikken, directeur; K. Raat; C. P. Jongens.


Alle overtollige meubilair, zoals een paar kasten en een tafel werd dan uit het kantoor gesleept. Op een handkar werden de nodige stoelen gehaald uit het toen nog bestaande cafe „De Blikken Schel, en de ledenvergadering kon beginnen.

Dat moeten we ons even indenken: in een ruimte van ongeveer 4 bij 4 m vergaderen met een man of dertig!! We zaten dan als haringen in een ton en konden elkaar tenslotte nauwelijks zien door alle rook. Over de temperatuur zal ik maar zwijgen.

Het aantal vergaderingen, dat ik heb bijgewoond, beloopt zo’n 4 a 500. Het juiste aantal weet ik niet, omdat van meerdere bijeenkomsten, zoals contact-vergaderingen en dergelijken geen notulen worden bijgehouden. Wel weet ik, dat we op de bestuursvergaderingen, die altijd in de beste harmonie verlopen, uitstekend verzorgd worden door Mevrouw Prikken. Dat mag hier wel eens gezegd worden.

Het bestuurswerk heb ik steeds met het grootste plezier gedaan. Ik voel er erg veel voor. Speciaal de ledenwerf-actie heeft mijn volle belangstelling en hiervoor ben ik dan ook vaak met de voor-zitter en directeur op pad geweest. Het was altijd weer een genoegen als ons het vertrouwen van de mensen deelachtig werd.

Zo herinner ik me o.a. nog heel goed een succesvolle dag in de Starnmeer. Met een broodje in de zak waren de directeur en ik ‘s morgens op de fiets gestapt om te proberen aldaar leden te werven.

„Dus jullie gingen „op stikken te-werk”, zegt Knip. 

„Ja, met recht. En hoe: de oogst was 7 nieuwe leden. Voor ons een dag om nooit te vergeten. Daar namen we op de terugweg een neutje op, dat mag ik nu wel verklappen.

„Dat mag een ieder gerust horen”, zegt de voorzitter. „En dan mogen ze ook horen, dat al het werk geheel zonder enige beloning of vergoeding werd verricht.”

,U bent de enige mede-oprichter, die thans nog zitting heeft in het bestuur, is ‘t niet?”, informeert Bleeker. 

„Dat ben ik wel”, antwoordt Van Diepen. „De bepaling in de statuten, dat alleen voorzitter en secretaris herkiesbaar zijn, is daar natuurlijk niet vreemd aan. We hebben ook nog slechts enkele voorzitters gehad. Van de oprichting of tot 30 April 1935

 

25 jaar de tijd - 034a blz 31

Mevrouw Prikken, Uitstekende verzorging

J. N. van Baar, daarna tot Juli 1945 P. Otjes Mzn. en van Juli 1945 af tot heden m’n linkerbuurman hier, K. Hogetoorn.

Van al degenen, die zitting hebben gehad in het bestuur of er nog zitting in hebben, heb ik een lijst samengesteld. De namen en data zal ik U eens voorlezen!

25 jaar de tijd - 035a blz 33

„Juist. Dat is al een hele lijst.”
„Ik heb de namen van 28 personen genoemd. Vier hiervan zijn inmiddels overleden.”

Er valt een ogenblik stilte. — Een ieder vertoeft ongetwijfeld met zijn gedachten een moment bij hen, die geen getuige meer kunnen zijn van het 25-jarig jubileum. —

Het is Knip, die de draad van het gesprek weer opneemt en zegt: „Maar om op die vergaderingen terug te komen, kunt U ons nog het een en ander vertellen over belangrijke besluiten, b.v. op organisatorisch gebied of in verband met vernieuwingen e.d.?”

„Wat uw eerste vraag betreft”, zegt Van Diepen, „een be-langrijk organisatorisch besluit was de mede-oprichting van „De Combinatie” in 1947. Hierdoor werd een belangengemeenschap gevormd tussen de fabrieken „Concordia- te Oudendijk, „Ons Belang” te Middelie en „De Tijd”. In 1950 werd „De Combinatie” uitgebreid door de toetreding van „Neerlandia- te Stompetoren. 

 

En wat uw tweede vraag aangaat, het lijkt me toe, dat de directeur daar beter op antwoorden kan. Wat denkt U daarvan voorzitter?”

„Dat vind ik ook. Ik zou zeggen directeur, ga je gang.” „Met alle genoegen, doch sta me toe, dat ik begin met een bizonder woord van dank aan bestuursleden, commissarissen, leden en leveranciers voor de medewerking, die ik in 1935, kort na mijn benoeming tot directeur, heb ondervonden. Want zonder die medewerking hadden we het nooit zover gebracht. We waren zo U weet, gedwongen te beginnen met een buitengewoon zwaar besluit: 29 leden stonden voor de noodzaak het bedrijf financiëel weer gezond te maken. Door dit offer werd, zoals Van Diepen reeds opmerkte, het vertrouwen spoedig herwonnen. De leveranciers aan de Kanaaldijk besloten, tegen hun oorspronkelijk voornemen in, hun melk te blijven leveren en nauwelijks een maand na het zware besluit, n.l. op 9 Juni 1935 traden 11 leden van de reeds stilgelegde fabriek „De Ceres” in de Starnmeer tot ons bedrijf toe.

In hetzelfde jaar besloten enkele leveranciers van de kaasfabriek „De Hoop” aan de Zuiderweg hun melk aan ons bedrijf te leveren.

Meerdere dagkaasfabrieken werden in de volgende jaren op-geheven: „De Vlijt” aan de Middenweg, „De Eendracht” aan de Oosthuizerweg, beiden in de Beemster. Na de oorlogsjaren „Spijkerboor” te Spijkerboor, „Nooit Gedacht” te Knollendam en ten slotte „De Nieuwe Beemster” te De Rijp. De leden of leveranciers van deze bedrijven traden eveneens voor het merendeel tot onze fabriek toe.

Door de overname van deze bedrijven en door de losstaande toetredingen werden ook buiten de Beemster vele nieuwe contacten gelegd: Knollendam, Starnmeer, Spijkerboor, De Rijp, Graft, Graftermeer, Kanaaldijk, Mijzen, Schermerhorn. 

Namen kan ik moeilijk noemen; ik wil geen enkele uitzondering maken. U zult dit begrijpen. U kunt evenwel van mij aannemen, dat ik nog dikwijls in dankbare herinnering aan deze periode uit mijn loopbaan terug denk.

Om U een goed idee te geven van de toename van de melkaanvoer heb ik een overzicht samengesteld, dat ik U straks ter hand zal stellen.

De ledenwerf-actie verliep eveneens uitstekend, vooral in de jaren 1946/1947 mochten we vele leveranciers als lid inschrijven. Vandaag de dag wordt ± 82 70 van de aangevoerde melk geleverd door leden.

Het gevolg van de uitbreiding is geweest, dat „De Tijd” meer het karakter heeft gekregen van een streekfabriek dan van een plaatselijk bedrijf.

Een ander gevolg was, dat door de steeds groeiende melkstroom verschillende voorzieningen moesten worden getroffen. In de loop der jaren werden kaasmakerij, pekelkelder en kaaspakhuis aanmerkelijk vergroot. Een directeurswoning met kantoren werd gebouwd; een tweede verdieping op het kaaspakhuis gezet, machine-kamer en ketelhuis werden belangrijk vergroot. De oude, te kleine pijp, werd afgebroken en door een grotere vervangen.

Werktuigen en inventaris werden bij de gewijzigde omstandigheden aangepast. Ook werden ten behoeve van ons personeel meerdere woningen gebouwd of reeds bestaande aangekocht.

Als ik U nu nog zeg, dat het melkvervoer in eigen beheer is genomen, waarvoor zo successievelijk de nodige auto’s werden

25 jaar de tijd - 038a blz 35


De oude, te kleine pijp, werd door een grotere vervangen.


25 jaar de tijd - 039a blz 36

“De Tijd” kreeg het karakter van een streek-fabriek

25 jaar de tijd - 040a blz 37

…ook buiten de Beemster werden vele contacten gelegd…

25 jaar de tijd - 041a blz 38

Beemster

Knollendam

25 jaar de tijd - 042a blz 39

25 jaar de tijd - 043a blz 40

Starnmeer

Spijkerboor

25 jaar de tijd - 044a blz 41

25 jaar de tijd - 045a blz 42

Graft – De Rijp – Graftermeer

25 jaar de tijd - 046a blz 43

Kanaaldijk

25 jaar de tijd - 047a blz 45

Mijzen – Schermerhorn

aangeschaft en een garage werd gebouwd, dan heb ik al heel wat over de fabriek verteld.” 

„Over het melkvervoer gesproken, de fabriek stelt de melk-bussen ter beschikking. Is dat altijd het geval geweest?” 

„Ja Knip, bij ons tenminste wel. De praktijk heeft echter bewezen, dat de bussen daardoor ook meermalen voor andere doeleinden werden gebruikt. Om dit euvel tegen te gaan berekenen we sedert een paar jaar een geringe huur.- 

„En als ik nu nog wat vragen mag”, zegt ons oud-lid, „er is mij onlangs verteld, dat de garage te klein is. Berust dat op waarheid?” 

„Ja, de garage is te klein”, is het wederwoord van de directeur. Maar we hopen hierin binnen afzienbare tijd te voorzien. Met een kleine variant op een bekende spreuk zou ik willen zeggen: 

 

„Een fabriek die leeft, bouwt aan haar toekomst.”

Ik heb gerust nog wel wat op mijn verlanglijsje, doch het is hier niet het ogenblik om daarover te praten. Voorlopig zijn we dankbaar voor alles wat tot stand is gekomen. Dankbaar niet alleen jegens leden, bestuurs- en commissarissen-colleges, maar

25 jaar de tijd - 048a blz45

25 jaar de tijd - 049a blz46

Het melkvervoer werd in eigen beheer genomen

ook jegens onze personeelsleden, want zij hebben, een ieder op zijn plaats, ook hun deel bijgedragen tot het verkrijgen van de behaalde resultaten. — Zijn de heren nu tevreden?”

„Tevreden wel, maar eerlijk gezegd nog lang niet voldaan. `Immers-, zo zegt de voorzitter, „als we de geschiedenis van onze vereniging indelen in tijdvakken, krijgen we globaal het volgende beeld:

 

1928-1929: constructieve gedachten en voorstellen.
1929-1930: oprichting van de vereniging en bouw van de fabriek.
1930-1935: aanloopperiode.
1935-1940: ontwikkeling.
1940-1945: oorlogsjaren met allerlei maatregelen.
1945—heden: herstel, verdere ontwikkeling, vernieuwing.

 

Van de meeste tijdvakken hebben we zo met elkaar al het een en ander verteld, alleen de oorlogsjaren zijn nog niet genoemd. En over die bewogen jaren willen we van U nog wel wat horen. Bovendien verwachten we, dat U de techniek, handel en dergelijke niet zult vergeten.”

„Nou vooruit dan. Ik zal er nog ‘s voor gaan zitten.

Bewogen jaren waren het, die oorlogsjaren, dat ben ik direct met U eens. Alleen de periode ligt voor ons eigenlijk anders dan de zojuist door U genoemde, want de moeilijkheden begonnen al in 1939 met de algemene mobilisatie en eindigden eerst goeddeels met het intrekken van allerlei overheidsmaatregelen. Zo werd b.v. de kaasdistributie eerst per 6 November 1949 opgeheven.

In September ’39 werden verschillende leden van ons perso-neel onder de wapenen geroepen. Om de plotseling hierdoor ontstane moeilijkheden het hoofd te bieden, aanvaardden we dankbaar de spontaan geboden hulp van boerenzoons.

Voor ons bedrijf werd het, vooral na de bezetting in Mei 1940, gaandeweg moeilijker.

Distributiemaatregelen, ten dele reeds genomen vóór de bezetting, werden van kracht. Melk, boter en kaas waren „op de bon”. Voorschriften ten aanzien van de productie werden gegeven. Dingen waarvan we nooit hadden gedroomd moesten we doen. Noemen

we maar eens het in consumptie brengen van ondermelk en het produceren van magere kaassoorten. We hebben zelfs margarine en bak- en braadvet verkocht!!! En wat ik hier terloops naar voren breng, houdt alleen nog maar verband met de eigen grondstoffen en producten. Met de hulpstoffen en de andere benodigdheden voor ons bedrijf werden de moeilijkheden evenwel ook steeds groter. Schoonmaakartikelen, ijzer en staal, chemicaliën, kortom alles werd gerantsoeneerd. Brandstoffen werden uiterst schaars. Eerst kregen we nog een toewijzing voor behoorlijke kolen, al heel gauw voor mindere soorten en tenslotte stookten we van alles, cokes, briketten, eierkolen, hout en turf. Het hout, afkomstig uit de inundatiegebieden, werd door eigen personeel gezaagd. De electriciteit was gerantsoeneerd en er waren zelfs stroomloze uren. Met de benzine voor de auto’s was het droevig gesteld, zodat we noodgedwongen z.g. gasgeneratoren moesten aanschaffen. We hebben ze gehad zowel voor anthraciet als voor hout en turf. Drama’s hebben we hiermee beleefd. Onze oudere chauffeurs weten er alles van!

Laat ik de Centrale Keuken niet vergeten. Wie had er ooit aan gedacht om in de fabriek nog eens stamppot te maken of snert te koken! Maar we deden het. Duizenden rantsoenen zijn in ’44 en ’45 in ons bedrijf klaar gemaakt en op de z.g. uitdeelposten uitgereikt.

We kookten blijkbaar nog economisch ook, want bij het opmaken van de eindafrekening bleek er een behoorlijk voordelig saldo te zijn, dat aan de gemeentebesturen van Beemster en De Rijp werd overgemaakt. In Beemster werd het geld besteed ter vervanging van de door de bezetter weggehaalde torenklok. Het randschrift op de nieuwe klok zinspeelt hier op en luidt:

„De Duitser maakte van de klok, die ik vervang, een oorlogswapen, Doch Beemster heeft, na ‘s vijands val, uit oorlogskost mijn spijs geschapen.”

Schaarste aan krachtvoer, inundatie, waardoor een groot aantal van onze leden en leveranciers werd getroffen, melkverkoop en een groter verbruik op de boerderij, waren oorzaak van een steeds dalende melkaanvoer. In ’44/’45 verwerkten we nog slechts

25 jaar de tijd - 052a blz49

Het “zwarte” vliegwiel

3.740.307 kg melk. De laagste dagaanvoer noteerden we op 21 Februari 1945, namelijk slechts 551 kg!

Het was een uiterst moeilijke tijd, waarin de ene onsympathieke maatregel na de andere werd ingevoerd. Steeds weer kwamen we voor onaangename verrassingen te staan. Ik wil m’n verhaal over deze periode besluiten met U één zo’n verrassing te vertellen.

In het boekjaar ’42/’43 waren we bezig met de vergroting van de machinekamer. Gelijktijdig werd een nieuwe, grotere, stoommachine geplaatst. Voor de bouw van deze machine kreeg de betrokken machinefabriek een materialentoewijzing, met uitzonde-

ring evenwel voor het bijbehorende vliegwiel. In afwachting van een nadere beslissing werd met de bouw begonnen en intussen herhaalde malen bij het Rijksbureau gereclameerd. Alle reclames ten spijt, bleef men daar echter bij het eenmaal genomen besluit. Dus wel een stoommachine, maar zonder vliegwiel. Er restte toen nog maar één methode, namelijk clandestien. En ik zeg U, dat het moeite heeft gekost om 4.000 kg „zwart ijzer” te bemachtigen. Daar heb ik wat voor moeten sjouwen. En dan te bedenken, dat je voortdurend in de piepzak zat.

De heer Prikken heeft het er warm van gekregen, zowel door het vertellen als door de gedachte aan de destijds doorstane emoties.

Het is daarom begrijpelijk als hij zegt: „Nou zal ik eerst m’n vrouw eens vragen of ze nog wat voor ons heeft te drinken.”

Nauwelijks heeft hij zich verwijderd of Van Diepen merkt op: „Zeg voorzitter, het was een aardig verhaaltje over dat vliegwiel, maar mij dunkt die geschiedenis van de verijdelde kolendiefstal is veel mooier. Misschien weet Bekhof de ware toedracht hiervan nog wel.”

Deze legt bij het horen van de bedekte uitnodiging zijn vulpen neer en zegt: „Of ik het nog weet. Zoiets vergeet je nooit meer. Zal ik dan maar, voorzitter?”

„Natuurlijk man, ga je gang.

„Wel, daar gaat-ie dan. Goed beschouwd was het een klein drama hoor, maar later hebben we er nog vaak danig om gelachen.

Het gebeurde in het najaar van 1944. U weet, steenkolen waren in die dagen uiterst schaars en zeer begerenswaardig. Dit gold niet in het minst voor ons bedrijf en het was daarom, dat de directeur ter bescherming van de angstig kleine voorraad, een soortement nachtwacht instelde. Bij toerbeurt werd wacht na wacht geklopt. Sensatie bleef evenwel aanvankelijk uit en men begon al echt te patrouilleren met de gedachte „waarvoor doen we het feitelijk?”

Het was onder deze omstandigheden, dat Engels, onze tweede assistent, op een nacht zijn rondjes liep. Het was weliswaar geen stormachtige, maar toch een enigszins ruwe nacht. Kwam Engels voor de fabriek, dan hoorde hij de wind geheimzinnig ruisen in

de bomen; kwam hij achter, dan hoorde hij dezelfde wind rond de schoorsteen fluiten. Grijze wolken schoven af en toe voor het laagstaande maantje, dat de fabrieksgebouwen uiterst flauw bescheen, waardoor alles nogal spookachtig aandeed. Onze wacht huiverde. Het was echt een nacht waarin van alles kon ge-beuren. En het gebeurde! Het zal ongeveer 4 uur geweest zijn; Engels liep juist voor de fabriek. Op een gegeven moment leek hij iets te horen. Scherp tuurde hij in de richting waarvan het geluid scheen te komen. Zijn hart klopte in z’n keel. Zijn adem stokte. Hij had het goed gehoord en gezien: een verdacht persoon naderde per fiets. Bij de brug voor de fabriek stapte hij af, zette behoedzaam zijn karretje tegen een boom en sloop het fabrieks-terrein op, richting kolenbergplaats.

Voor Engels was nu de tijd aangebroken om handelend op te treden. Er was met de directeur afgesproken om bij eventueel onraad tegen zijn slaapkamerraam te kloppen, hetgeen dan ook prompt gebeurde.

Met een „ik kom” floepte het licht aan en slechts weinige ogenblikken later ging de kantoordeur open en trad de directeur naar buiten, gewapend met een wandelstok en angstig nagestaard door zijn eveneens ontwaakte vrouw en kinderen.

Vlug werd overleg gepleegd en besloten, dat de directeur achterom zou lopen, het gevaar dus tegemoet. Engels zou de wacht houden bij de fiets en de directeur bij het eerste sein direct te hulp snellen. Nu, dat sein kwam al gauw. Engels spoedde zich naar de kolenbergplaats, waar de directeur druk gebarend met opgeheven wandelstok voor een man stond, die juist een grote zak volgeschept had met de kostbare brandstof.

„Mee naar het kantoor”, beval de directeur en de daad bij het woord voegend werd de dief in de kraag gegrepen en in de richting van het kantoor geduwd.

Op de hoek van de fabriek gekomen rukte de man zich echter los en wilde op de vlucht slaan. Hij had er evenwel niet op gerekend, dat hem een beentje gelicht zou worden en op een onzachte manier struikelde de man dan ook. Hij herstelde zich wonderbaarlijk snel en nam een dreigende houding aan, waardoor het

noodzakelijk bleek de wandelstok te hanteren. In snel tempo daalden met goed gevolg twee slagen op het hoofd van het slachtoffer neer. Nóg een gevoelige klap volgde. De laatste, want met die klap kletterde er iets op het beton. Allen schrokken er van. De slag zou toch niet al te hard aangekomen zijn? Maar nee, dat was het niet. In een oogwenk overzag Engels de, ondanks alles, koddige situatie. Daar stond de directeur enigszins verbouwereerd te kijken naar een klein stompje van zijn wandelstok dat hij nog in z’n hand hield. De stok was op het hoofd van de onfortuinlijke dief in drie stukken geslagen.

Tijd om over de humor van het geval na te denken was er niet, want het slachtoffer was intussen ook op temperatuur gekomen en haalde een zakmes te voorschijn. Ongetwijfeld met minder goede bedoelingen.

De strijd, die zich tot op de brug had verplaatst, dreigde nu een dramatisch hoogtepunt te bereiken. Het werd echt menens.

Alsof het afgesproken was grepen de directeur en Engels de man tegelijk stevig aan; nog een laatste krachtsinspanning en …. plons!, daar belandde hij over de brugleuning in het drabbige water van de wegsloot. — Het gevecht was plotseling in het nadeel van de kolenschepper geëindigd, zijn vechtlust was bekoeld. Vlug kroop hij bij de wal op, greep zijn fiets en verdween zo snel hij kon. Een spoor van water en prut liet hij na …

Ons gezelschap, dat in gedachten de directeur en Engels als triomfantelijke overwinnaars het fabrieksterrein ziet oplopen, lacht hartelijk om het verhaal. „Wie heeft er hier een mop verteld?” Het is de vraag van de intussen weer binnengekomen directeur. „

O niets. Dat hoor je later nog wel ‘r es”, antwoordt de voorzitter. „We gaan nu eerst luisteren naar hetgeen je ons nog te vertellen hebt over de techniek van het bedrijf.”

De heer Prikken, maar matig tevreden met het antwoord, neemt zijn plaats weer in en zegt: „Als ik dan thans inga op Uw verzoek om iets over de techniek te zeggen, dan wil ik dit verzoek graag ruim opvatten.

Allereerst een enkele opmerking over de voornaamste wijzigingen, die zich gedurende het 25-jarig bestaan van onze fabriek

25 jaar de tijd - 056a blz53

De kaasproductie neemt de voornaamste plaats in

hebben voltrokken ten aanzien van de kaasproductie, die, zo de heren weten, bij ons verreweg de voornaamste plaats inneemt.

Bij de oprichting in 1930 en de eerste jaren daarna, werden nagenoeg alleen 40+ Edammers gemaakt. Zo omstreeks ’34 werd reeds voor een deel overgeschakeld op commissie- en middelbare kaas, gewicht 4 resp. 6 kg per stuk. Dit model vormde ook in de jaren ’38 en ’39 de hoofdschotel van ons productie-schema.

Over de oorlogsjaren heb ik U zojuist verteld; de productie was toen wat je noemt een „allegaartje-. Meest magere soorten en alles streng gereglementeerd.

Na ’45 zijn we steeds meer overgegaan tot de aanmaak van Goudse kaas. Dit mag alleen in volvet. De laatste jaren bestond 85% van onze gehele productie uit dit soort kaas, zowel kleinere van 6 kg per stuk als zwaardere van 8, 10 en 12 kg en zeer zware modellen van ± 16 kg per stuk.”

„En wat ik zeggen wil Prikken, de productie-methode is die veranderd?”

„Nou . . . . nee Van Diepen. Fundamentele wijzigingen bij de bereiding vonden niet plaats. Wel is, en wordt nog steeds, getracht de reeds jaren lang bestaande methode te verbeteren. Om een voorbeeld te noemen. De wei wordt tegenwoordig door ons niet meer via een kraan uit de kaasbak afgetapt, maar door een pomp afgezogen. Stelt U zich maar een brandspuit voor die via een korf water uit een sloot of gracht opzuigt en U hebt een betrouwbaar beeld. Wij gebruiken namelijk ook zo’n korf, al is de constructie natuurlijk anders.

De kaasmachines draaien bij het afzuigen rustig door in tegenstelling met de voorheen gevolgde werkwijze, waarbij ze stil gezet werden om gelegenheid te scheppen de wrongel achter in de bak te verzamelen, teneinde de wei via de kraan af te tappen.

De bakken kunnen we met de nieuwe methode iets vlugger afwerken, terwijl bovendien het wrongelverlies wordt beperkt.

De moderne kaasbakken zijn momenteel geheel van metaal met ronde hoeken. Hierbij is de binnenbak van roestvrij staal.

 

In de behandeling van de kaasvaten, koppen, zeiden ze vroeger, is een grondige wijziging gekomen.

25 jaar de tijd - 058a blz55

Na ’45 zijn we steeds meer overgegaan tot de aanmaak van Goudse kaas

De wei wordt door een pomp via een “korf” afgezogen.

25 jaar de tijd - 059a blz56

25 jaar de tijd - 060a blz57

De moderne kaasbakken zijn geheel van metaal met ronde hoeken,
de binnenbak van roestvrij staal.
Inhoud per bak 4300 L

U weet, dat bij geregeld gebruik al gauw een aanslag van kalksteen in de vaten komt. Voorheen moesten we deze aanslag er uit boenen; een tijdrovende en arbeidsintensieve bezigheid. Tegenwoordig worden de vaten bij een hele partij tegelijk in een kooi door middel van een verrijdbare, electrische takel, in een grote houten bak, gevuld met verdund zuur, gedompeld. Dit zuur neemt de functie van het boenen over, terwijl de hoge temperatuur het stomen overbodig maakt. Later komen de aldus gereinigde vaten in een bak met kouder water om de zuur-resten weg te spoelen en om ze op een bepaalde temperatuur te brengen voor een goede korstvorming van de kaas.

Na deze behandeling wordt de kooi met vaten door middel van dezelfde takel op een onderstel geplaatst en naast de kaasbak gereden.

 

Alles dus in één arbeidsgang; U zult begrijpen, dat deze werkwijze economisch is door de arbeidsbesparing.

 

Het wassen van de kaasdoeken is eveneens aanmerkelijk verbeterd. Werd dit vroeger gedaan in houten kuipen, dus feitelijk stuk voor stuk, thans beschikken we over een electrisch aangedreven kaasdoekenwasmachine, die niet onderdoet voor een wasserij.

 

Het „schoonmaken” is in de loop der jaren ingrijpend veranderd, vooral in de laatste tijd. Voorheen werden het leidingnet en de werktuigen in hoofdzaak schoongemaakt met soda en pasteurloog, tegenwoordig met natronloog, moderne Persil-producten en salpeterzuur. Dit laatste middel kunnen we toepassen, omdat ons leidingnet en de werktuigen thans uit roestvrij staal bestaan.-

„Kon dat vroeger niet”, wil Bleeker weten.

„Nee, toen hadden we uitsluitend vertind koperen leidingen en werktuigen. Door het gebruik van zuren lost de tinlaag hiervan op, waardoor het koper bloot komt. Een te hoog kopergehalte in de boter is hiervan meestal het gevolg en dat is funest voor de kwaliteit.

25 jaar de tijd - 062a blz59

Electrisch aangedreven kaasdoekenwasmachine.
Capaciteit 28 kg droge was per keer.

Radicale veranderingen en verbeteringen hebben ook vele werktuigen ondergaan. De grote pompeuze pasteurs en open koelers van voorheen zien we niet meer. Ze hebben plaats gemaakt voor de veel kleinere en effectievere platen-pasteurs en koelers. De centrifuges zijn steeds meer geperfectionneerd en werken allen onder druk. Geen schuimvorming meer en pompen achter de centrifuges zijn overbodig geworden.

 

Drijfriemen zijn uit de fabriek verdwenen; ieder werktuig heeft een eigen electromotor voor de aandrijving. Met de plaatsing van werktuigen zijn we zodoende niet meer afhankelijk van een drijfas.

 

Het is met de botermakerij als met de kaasmakerij: geen fundamentele wijzigingen, wel verbeteringen. Vooral in de apparatuur. De ouderwetse, open roomzuurbassins zijn afgedankt en hebben plaats gemaakt voor dubbelwandige tanks met roerwerken.

Produceerden we vóór de oorlog nagenoeg uitsluitend gezouten boter, in de oorlogsjaren werd dit verboden en heden ten dage maken we nog steeds ongezouten boter. De reden hiervan is niet gelegen in een verbod tot het maken van gezouten boter; dit is reeds lang opgeheven. Maar uit ervaring is gebleken, dat ongezouten boter beter houdbaar is bij opslag in de koelhuizen. Vandaar, dat men er in het algemeen mee doorgaat om ongezouten boter te produceren.

 

De afdeling machinekamer en ketelhuis is in de achter ons liggende jaren ingrijpend veranderd. Is de fabriek begonnen met één kleine stoomketel, die met kolen werd gestookt, thans hebben we de beschikking over 2 grote ketels voorzien van een oliestook-inrichting. Eén van deze twee ketels is een moderne vlampijpketel.”

„Kolen worden dus niet meer gebruikt?” Het is ons oud-lid, die deze vraag stelt.

„Nee. We stoken tegenwoordig uitsluitend met olie. Voor de opslag hiervan hebben we een tank met een inhoud van ± 60.000 liter naast de fabriek geplaatst. De olie wordt met grote tankauto’s gebracht. Als bizonderheid wil ik nog even opmerken, dat we tot

25 jaar de tijd - 064a blz61

Deel van Botermakerij
Karn met een nuttige ton-inhoud van 2000 L

 

nog toe met dikke olie stoken. Deze olie moet, alvorens ze verstoven kan worden, eerst opgewarmd worden. Zij wordt dus eerst dun vloeibaar gemaakt. Hetzelfde geldt voor het vervoer. Bij het tankstation wordt de olie warm in de tankauto’s gepompt en in ge-isoleerde tanks vervoerd.

 

In de machinekamer staan nu opgesteld een grotere koelmachine, een stoommachine en een dieselmotor, beide met aangekoppelde generator, waarmee we nagenoeg alle voor ons bedrijf benodigde electriciteit opwekken.

25 jaar de tijd - 065a blz62

De veel kleinere en effectievere platenpasteur annex koeler met zelfregistrerende thermometer. Capaciteit 12.000 L per uur.

25 jaar de tijd - 066a blz63

Moderne vlampijpketel met oliestookinrichting, 11 atm. druk en 150 m2 verwarmd oppervlak.

25 jaar de tijd - 067a blz64

Deel van het centrifugelokaal waarin 4 centrifuges staan opgesteld.
Capaciteit 5000 L per minuut.

Op de voorgrond de koelmachine. Capaciteit 80.000 cal. bij 10 graden C.
Op de achtergrond dieselmotor met dynamo, vermogen resp. 75 pk en 80 K.V.A.

25 jaar de tijd - 068a blz65

25 jaar de tijd - 069a blz66

Stoommachine met dynamo, vermogen resp. 110 PK en 100 K.V.A

Op ons laboratorium zijn de werkzaamheden belangrijk toegenomen. De huidige techniek eist nu eenmaal een meer intensieve controle.

De meeste onderzoekingen hebben geen belangrijke wijzigingen ondergaan; ik laat dan in het kader van ons gesprek de detailwijzigingen buiten beschouwing. Betrekkelijk nieuw voor ons is de zogenaamde pH meter. Hiermee kunnen we dagelijks de reële zuurheidsgraad bepalen, dit wil zeggen het werkelijke, actieve zuur, dat zich bevindt in een te onderzoeken stof, b.v. kaaspekel, reinigingsvloeistof en, wat voor ons het voornaamste is, kaas.

Als U een analyse thuis gezonden krijgt van Uw kuilgras, vindt U daarin ook een pH vermeld.

Ons gehele streven is er op gericht om een kaas te maken met een zuivel-structuur zoals onze afnemers die vragen en hierbij proberen we zoveel mogelijk profijt te trekken van de pH meter.

U moet nu niet denken, dat dit een wonderapparaat is, waardoor alle moeilijkheden, die zich bij de kaasbereiding kunnen voordoen, in één keer van de baan zijn. Zo is het niet. Maar ik noem de pH meter hier om aan te tonen, dat we trachten met de tijd mee te gaan.”

,,U sprak zo juist over een intensieve bedrijfscontrole. Wilt U daar eens wat meer van zeggen?”

„Natuurlijk wel, voorzitter. Ik zal daartoe eerst de voornaamste laboratorium-onderzoekingen noemen.

a. Dagelijks.
Vetgehalte en soortelijk gewicht (densiteit) van volle melk, kaasmelk, wei, room, karnemelk, weiroom, ondermelk, voer-karnemelk en consumptiemelk.
Vet- en vochtgehalte van de daags tevoren geproduceerde kaas.
Vochtgehalte van de geproduceerde boter.
Zuurheidsgraad van room en zuursel.

b. Periodiek.
Ketelwater op alcaliteit, hardheid en natrongetal.
Koelmedium van de koelmachine op soortelijk gewicht en omslag.
Zuurheidsgraad kaaspekel.

c. Wekelijks.
Bepaling van de kwaliteit van de aangevoerde melk.

d. Per 14 dagen. Vetgehalte van de aangevoerde melk. Hiertoe wordt, zo U weet, van elke levering een schepje melk in een monsterflesje gegoten.

 

U zult begrepen hebben, dat al deze onderzoekingen alleen verband houden met het gehalte. — Daarnaast hebben we de contrôle op de hoeveelheden en opbrengsten. Ook daarvan wil ik in het kort wel iets zeggen.

Zo wordt b.v. van elke te produceren bak kaas eerst de hoeveelheid kaasmelk gemeten en 11 dagen na de productie-datum de hoeveelheid geproduceerde kaas gewogen. Door middel van deze cijfers berekenen we de opbrengst per 100 kg kaasmelk per bak afzonderlijk. Aangezien we bij de aflevering, de verkoop dus, de kaas wederom per bak wegen, zijn we tevens in staat de juiste indroog te berekenen.

Door de boterproductie nauwkeurig te wegen, wordt voor dit product in samenhang met het vetgehalte van de room en karnemelk, de z.g. „uitkarningsgraad- berekend.

Aan de hand van al deze gegevens, aangevuld met cijfers betreffende de hoeveelheid ontvangen melk, afleveringen van consumptiemelk e.d., wordt de technische boekhouding gevoerd.

Op dezelfde wijze wordt ook door de andere „Combinatie”-fabrieken cijfermateriaal verzameld. Door onderlinge uitwisseling hiervan ontstaat een periodieke, technische, bedrijfsvergelijking.

De resultaten van eigen bedrijf worden mede hieraan getoetst en regelmatig met de assistenten en afdelingschefs besproken.

 

Dat de administratie in vergelijking met de vóóroorlogse jaren enorm uitgebreid is, behoef ik nauwelijks te zeggen.

Dit is gelukkig niet alleen een gevolg van verschillende overheidsmaatregelen. Ook de grotere melkaanvoer en de toegenomen kaasexport spelen in deze een rol.

De uitbetaling van de melkgelden geschiedde van 1930 tot 1940 eens per 4 weken met een 14-daags voorschot. Thans wordt,

25 jaar de tijd - 072a blz69

Bepaling van de pH in jonge kaas.

25 jaar de tijd - 073a blz70

Het onderzoek van kaas op vet- en vochtgehalte.

Uitbetaling thans per 14 dagen
Bedrag 1e boekjaar ruim fl. 256.000,-
Bedrag 25e boekjaar ruim fl. 2.800.000,-

25 jaar de tijd - 074a blz71

zo U weet, per 14 dagen uitbetaald, sedert 1951 ook naar kwaliteit, in verband waarmede een staladviseur werd aangesteld.

 

Nu ik het toch over verschillende veranderingen heb, wil ik niet nalaten U enkele wijzigingen te noemen, die sinds 1950 zijn gebracht in diverse contróle-voorschriften.

Beginnen we met die, welke de boter- en kaascontróle betreffen, dan zien we, dat de grens van het vochtgehalte in de boter eind 1946 op 16 % is gebracht. Zulks in overeenstemming met de vochtgehalte-grens in andere belangrijke boter-producerende landen.

Verder zijn van 1941 af, naast de reeds lang bestaande voorschriften voor minimum vetgehalten in de droge stof van de kaas, ook grenzen vastgesteld voor het maximum vochtgehalte in de kaas.

Het vroeger bestaande 30+ kaasmerk is afgeschaft. Ik meen in het najaar van ’42.

Sinds 1947 oefent het kaascontrôlestation ook toezicht uit op de kaasmelkpasteurisatie. De bedoeling hiervan is excessen in de vorm van te langdurige of te hoge pasteurisatie van de kaasmelk tegen te gaan.

Voorts werd in 1937 het Zuivel-Kwaliteitscontrôle-Bureau ( Z.K.B.) opgericht. Dit bureau begon met de kwaliteits- en gewichtscontrôle op de boter. Naast contrôle op het melkpoeder werd in 1948 begonnen met de kwaliteitscontrôle op te exporteren kaas.

De contrôle door de Noord-Hollandse Zuivelbond is in de achter ons liggende kwart eeuw eveneens uitgebreid. Ik mag wel zeggen geheel op poten gezet. Voor een juist inzicht wil ik enkele contrôles noemen, zoals op de administratie, het vetgehalte-onderzoek, bascules en weegwerktuigen en op de retour-producten wei en voerkarnemelk. Voorts de bacteriologische contrôle en de periodieke boter- en kaaskeuringen. Als ik dan nog noem de technische dienst, de economische afdeling en de eerst sinds kort bestaande afdeling voor arbeidseconomie, dan hebt U wel enig idee van de Bonds-contrôle gekregen.

 

Heren, dit is zo maar een greep uit de talloze voorschriften en contrôles waarmede we te maken hebben. U hoort, er zijn er nog al wat en dan te weten, dat ik ze nog lang niet allemaal heb

25 jaar de tijd - 076a blz73

… in verband waarmede een staladviseur werd aangesteld.

genoemd. Met deze laatste opmerking bedoel ik niet te zeggen, dat ik controle overbodig acht. Integendeel. Het is goed en naar mijn mening absoluut noodzakelijk, maar vooropgesteld moet worden, dat de controle er in de allereerste plaats is om het goede te bevorderen en niet alleen om de fouten, afwijkingen en tekort-komingen te ontdekken en te registreren.”

„Dit geldt dus eigenlijk ook voor de controle op onze melk-gereedschappen en de kwaliteit van de melk”, merkt de heer Knip op. „Ja, zo is het”, vervolgt de directeur, „maar ik geef toe, dat het woord controle ons allesbehalve aangenaam in de oren klinkt en daarom stap ik liever van dit onderwerp af om iets te zeggen over ons personeel. U ziet, dat ik Uw verzoek werkelijk ruim opvat.

 

De personeelsbezetting was vooral in de jaren na de oorlog, ons zorgenkind.

Allerlei moeilijkheden deden zich hierbij voor. Mede door het woninggebrek was er een tekort aan vaklieden. Het aantal mutaties was ontstellend groot en loopt zonder overdrijving, in de honderden.

Naast een welgemeend woord van dank aan al degenen, die ook in de moeilijkste omstandigheden hun taak plichtsgetrouw hebben vervuld, verheugt het mij hier vandaag twee concrete dingen te kunnen zeggen:

1 e. Dat 9 leden van ons personeel meer dan 12 jaar in dienst zijn, waarvan 7 in een aaneengesloten periode en 2 met een langere of kortere onderbreking. Zonder anderen iets tekort te doen, wil ik ze graag noemen:

Tj. Wiersma 23 jaar
J. Bekhof 20 jaar
J. Engels 17 jaar
K. Leegwater 17 jaar
P. Struving . 16 jaar
K. Ooms 15 jaar
Tini Houtman 14 jaar
J. Hummel . 14 jaar (met onderbreking)
C. Bruynes 14 jaar  (met onderbreking)

25 jaar de tijd - 078a blz75

2e. Dat we momenteel ongetwijfeld weer op de goede weg zijn. De saamhorigheid en verstandhouding worden merkbaar beter; het verantwoordelijkheids-gevoel neemt toe.

Met grote voldoening slaan we het werk gade van de personeelsvereniging, waarbij thans het gehele personeel is aangesloten en waarvan zelfs de be-stuursleden en commissarissen van de fabriek lid zijn.

De uitgave van het personeelsorgaan „De Tijdspiegel” blijkt hoe langer hoe meer te worden gewaardeerd.

Al met al hopen we, dat de grootste moeilijkheden voorbij zijn en dat we gezamenlijk, met begrip voor wederzijdse belangen, nog veel en nuttig werk voor ons bedrijf mogen doen.

 

Tenslotte wil ik ingaan op Uw verzoek voorzitter om iets mede te delen over de handel.

Als wij over handel spreken, bedoelen wij voor ons soort bedrijven eigenlijk alleen de verkoop, de afzet dus van de producten.

Aanvankelijk, ik spreek dan over de periode na ’35, hebben we daar genoeg moeite mee gehad. We zaten nog volop in een ernstige en langdurige economi-sche crisis met ongekend lage prijzen. En U weet wel, met al te lage prijzen is de handel meestal moeilijk. Voor ons kwam daar nog een lelijk d

ing bij. Door allerlei oorzaken, waarop ik niet behoef in te gaan, waren we onze goede naam kwijt geraakt. Ons eerste streven was er derhalve op

25 jaar de tijd - 078b blz75

 

25 jaar de tijd - 079a blz77

Personeel, April 1955

gericht om die terug te winnen. Dit is, vooral door te werken op een kwaliteitsproduct, gelukt.

Ook aan de export, grotendeels naar België, werd de nodige aandacht besteed en zo langzamerhand hebben we het zover weten te brengen, dat 45% van onze gehele kaasproductie in het buitenland wordt geplaatst. Het overgrote deel van deze export gaat onder eigen, beschermd, handelsmerk, n.l. „Beemsterwapen” of „Beemsterbloem”. De kaas wordt hierdoor als het ware een merk-artikel.”

„En bij deze export komt dan het Z.K.B. te pas?”

„Precies, Bleeker. Zodra wij een naar het buitenland verkochte partij kaas willen uitvoeren, moeten we een partij bij een keurmeester van het Zuivelkwaliteitscontrole-Bureau aanmelden, waardoor deze in de gelegenheid wordt gesteld de kaas op ons pakhuis te keuren.

De normen voor deze kwaliteitskeuring zijn in een keurings-reglement vastgelegd. Hierop kan ik bezwaarlijk dieper ingaan; laat ik volstaan met U te zeggen dat kaas, die door de keurmeester wordt „afgekeurd”, niet uitgevoerd mag worden. Dit gebeurt hoogst zelden; we beoordelen zelf de kaas ook regelmatig en bovendien weten we welke eisen door het Z.K.B. worden gesteld.

Naast de controle aan de bedrijven, kennen we nog de z.g. „grenscontrôle”. Bij het passeren van de grens kan de kaas dus nogmaals door een keurmeester van het Z.K.B. worden gekeurd. Het is mede daarom, dat wij de uit te voeren kaas moeten voorzien van onze volledige naam of een herkenningsnummer.”

„Toen ik onlangs met U op het pakhuis was, zag ik, dat kaas ingepakt werd in pakpapier met opgedrukte handelsmerken. Nu begrijp ik waarvoor dat is”, aldus de heer Knip.

„Voorzitter, U hoort het, de heren commissarissen raken al aardig met de gang van zaken op de hoogte.

Nu we het toch over de kwaliteitscontrole hebben, ook de boter wordt door het Z.K.B. gekeurd, alleen ten opzichte van de kaas met dit verschil, dat hierbij niet op verzoek een bepaalde partij op kwaliteit wordt gekeurd. De gehele productie staat namelijk onder controle. Op voor ons onverwachte ogenblikken, komt een ambtenaar een monster boter halen, b.v. een vat of kist

… “we beoordelen zelf de kaas ook regelmatig”

25 jaar de tijd - 081a blz78

25 jaar de tijd - 082a blz79

… “zag ik dat kaas ingepakt werd in pakpapier met ingedrukte handelsmerken.”

(ook voorzien van een herkenningsteken), en neemt dit mee naar de centrale keuringsplaats, in ons geval Alkmaar. Hier worden na verloop van 12 dagen de opgehaalde monsters op kwaliteit beoordeeld, evenals bij de kaas, volgens bepaalde normen.

Blijkt de boter op meerdere achtereenvolgende keuringen niet aan de gestelde eisen te voldoen, dan wordt het gebruik van het „export-kwaliteitsmerk- verboden en mag de boter niet uitgevoerd worden. Wordt op volgende keuringen hoger geklassificeerd, dan wordt dit verbod weer ingetrokken.”

„Als je dit allemaal hoort is het toch geen wonder, dat er bij voortduring getamboerd wordt op het leveren van zindelijk gewonnen melk”, merkt Van Diepen op.

„Met de afzet van de boter hebben we nooit veel moeite gehad”, vervolgt de directeur. „Het overgrote deel van de productie gaat naar een export-firma van naam, waarmede wij reeds jaren de meest aangename relaties onderhouden.

 

Ik sprak daarnet van ongekend lage prijzen. Bij een jubileum denken we meer dan anders aan het verleden. Uit dit verleden heb ik aan de hand van onze boeken, eens enkele kaas- en boter-prijzen opgetekend. Met opzet ben ik hierbij niet verder gegaan dan 1940, aangezien we toen vastgestelde prijzen kregen, gepaard gaande met een ingewikkeld systeem van heffingen en toeslagen. Hierdoor is een juiste vergelijking uiteraard uitgesloten.

Er zijn buitengewoon lage noteringen bij, luistert U maar.

 

Prijzen per kg boter in vaten bij levering aan grossiers

Jan. Maart Mei Juli Sept Nov
1930 f 1.43 f 1.73 f. 1.74 f. 1.62
1931 f 1.54 f 1.48 „ 1.28 „ 1.40 „ 1.34 „ 1.15
1932 „ 1.13 „ 0.95 „ 0.78 „ 0.93 „ 1.42 „ 1.60
1933 „ 1.61 „ 1.54 „ 1.53 „ 1.57 „ 1.68 „ 1.60
1934 „ 1.58 „ 1.50 „ 1.40 „ 1.39 „ 1.43 „ 1.52
1935 „ 1.54 „ 1.37 „ 1.44 „ 1.44 „ 1.56 „ 1.59
1936 „ 1.58 „ 1.49 „ 1.47 „ 1.42 „ 1.41 „ 1.58
1937 „ 1.56 „ 1.53 „ 1.42 „ 1.45 „ 1.40 „ 1.45
1938 „ 1.43 „ 1.49 „ 1.38 „ 1.29 „ 1.36 „ 1.44
1939 „ 1.47 „ 1.43 „ 1.26 „ 1.31 „ 1.35 „ 1.60
1940 „ 1.62 „ 1.64 „1.62 „ 1.54 „ 1.58  „1.95

 

Prijzen per kg voor Edammer kaas 40+

Jan. Maart Mei Juli Sept. Nov.
1930 f 0.80 f 0.80 f 0.66
1931 f 0.66 f 0.70 f 0.58 „ 0.70 „ 0.65 „ 0.52
1932 „ 0.46 „ 0.46 „ 0.32 „ 0.38 „ 0.40 „ 0.52
1933 „ 0.44 „ 0.43 „ 0.40 „ 0.38 „ 0.36 „ 0.42
1934 „ 0.40 „ 0.48 „ 0.46 „ 0.37 „ 0.38 „ 0.37
1935 „ 0.36 „ 0.24 „ 0.20 „ 0.22 „ 0.42 „ 0.36
1936 „ 0.35 „ 0.32 „ 0.37 „ 0.37 „ 0.36 „ 0.34
1937 „ 0.36 „ 0.36 „ 0.31 „ 0.38 „ 0.46 „ 0.46
1938 „ 0.44 „ 0.40 „ 0.39 „ 0.39 „ 0.44 „ 0.43
1939 „ 0.44 „ 0.39 „ 0.34 „ 0.34 „ 0.50 „ 0.47
1940 „ 0.49 „ 0.48 „ 0.38 „ 0.58 „ 0.76 „ 0.70

 

De melkprijzen, die hieruit resulteerden, varieerden van 2,5 tot 4 cent per kg. Het was toen met recht een strijd om het bestaan. Een strijd, die onze jonge boeren niet hebben meegemaakt en, naar ik hoop, ook nooit behoeven mee te maken.

We moeten evenwel niet uit het oog verliezen, dat hierdoor de wil tot samenwerken verslapt; de noodzaak is schijnbaar niet meer aanwezig. En hierin schuilt een groot gevaar. Want naar mijn overtuiging is samenwerking wel geboden, juist nu.

Immers, ons gehele economisch bestel wordt al meer en meer in groter verband bekeken. We spreken niet meer over het belang van de enkeling, doch minstens over dat van bevolkingsgroepen. Samenwerking is derhalve terdege geboden, in het heden, maar ook, en misschien wel vooral, in de toekomst.

Voorzitter, wanneer ik op dit moment voor een groot gezelschap sprak, zou ik speciaal tot de jongeren hiervan, die tot nog toe een afwachtende houding aannemen, willen zeggen: wordt lid van de cooperatie.

Houdt Uw belang in eigen hand
Ter bescherming van de boerenstand.”

 De woorden van de directeur worden met enthousiasme ontvangen. „Zeer juist”, roept Van Diepen uit, „zo is het en niet anders.”

„Inderdaad”, zegt de voorzitter. „En nu zijn we niet alleen tevreden, maar tevens voldaan. Hartelijk dank! Ook voor de vlotte wijze, waarop een en ander naar voren is gebracht, want onze tijd begint op te schieten. Onze gast zal het op prijs stellen, heb ik wel begrepen, om nog eens door de fabriek te lopen en bovendien zijn er nóg een paar personen in ons midden, die wat willen zeggen.”

De blik van de heer Hogetoorn dwaalt bij deze laatste opmerking in de richting van commissaris Knip.

„Ik voel ‘m”, is diens reactie, „maar U moet van mij geen grote redevoering verwachten. Eerst in 1945 ben ik in de Beemster komen wonen en uit eigen ervaring kan ik daarom niets zeggen over de geschiedenis van onze fabriek. Dat ik er nu wel heel wat van weet, dank ik aan de vorige sprekers. Van de verhalen heb ik genoten. Ik vond het machtig, in één woord.

Wel wil ik graag iets zeggen over onze functie.

 

Toen ik in de ledenvergadering van Februari ’51 werd gekozen tot commissaris, was mij helemaal niet duidelijk welke taak mij wachtte. Onder ons gezegd, stelde ik mij deze functie voor als één van formele aard. Echter, de boekencontrole-dagen, die periodiek worden gehouden, hebben mij tot een heel ander inzicht gebracht. Nu beschouw ik het niet meer als een niets-zeggend „baantje-. Integendeel!

In een prettige, zakelijke sfeer, nemen mijn collega’s en ik kennis van allerlei rapporten en krijgen we inzage in boeken en bescheiden. Wij worden hierbij uitstekend voorgelicht door onze boekhouder. Bovendien wordt, mede door de directeur, uitvoerig stil gestaan bij de dingen, die om ons heen gebeuren.

Tegen het einde van de dag bezichtigen we dan meestal de diverse afdelingen in de fabriek, alsmede de kaaspakhuizen. En hierbij moet me één ding van het hart: prima voor elkander. Hulde voor hetgeen hier in de loop der jaren is tot stand gebracht. Ik neem er mijn petje voor af.”

„Misschien is het een ondeugende vraag Knip”, zegt de voorzitter, „maar hebt U nog aanmerkingen?”

„Die heb ik niet. Maar wel een wens, namelijk dat onze leden en leveranciers meer dan tot nu toe het geval is, in de gelegenheid

25 jaar de tijd - 086a blz83
Boekencontróle door de raad van commissarissen. zittend van links naar rechts: N. Bleeker, secretaris; P. Knip, voorzitter; P. Slooten, D. Blokdijk, ij. Schoenmaker. staande: J. Bekhof, boekhouder.

worden gesteld ons bedrijf te bezichtigen. Dit zal het vertrouwen in eigen zaak, waarover Van Diepen zeer terecht sprak, ongetwijfeld verstevigen.”

„Ik ben U erkentelijk voor de spontane, waarderende woorden alsmede voor deze suggestie”, repliceert de heer Hogetoorn.

„Het verheugt me, dat U de functie van commissaris tot genoegen vervult. Trouwens, ik had niet anders verwacht; Uw voorgangers spraken er ook zo over. Maar apropos, heeft één van jullie nog een overzicht samengesteld van al die voorgangers?”

„Jawel, voorzitter”, aldus de heer Bleeker, „maar vóór ik het oplees wil ik eerst graag het betoog en de zienswijze van collega Knip onderschrijven. Ik weet zeker, dat ook de andere commissarissen er zo over denken.

Zo voorzitter, behoudens de nog door mij op te lezen lijst, was dit mijn bescheiden aandeel in het gesprek, dat ik met intense belangstelling heb gevolgd, dat verzeker ik U.

Vijf en twintig jaar mag dan nog maar een betrekkelijk korte tijd zijn, er kan toch heel wat gebeuren. We hebben dat vanmorgen wel gehoord. Gelukkig heeft in dit tijdperk uiteindelijk het goede voor onze fabriek gezegevierd. Moge dat ook in de komende jaren het geval zijn.”

,,U hebt gelijk Bleeker”, zegt de voorzitter, „een kwart eeuw is niet zo’n lange tijd en de belevenissen, de geschiedenis, zo U wilt, is zo gauw verteld.

Immers in een gesprek van slechts enkele uren hebben wij de gehele geschiedenis van onze jubilerende fabriek de revue laten passeren. En dat kan in een paar uur, omdat „Vader Tijd” de kleinere gebeurtenissen laat vervagen; alleen de markante punten blijven onaangeroerd.

Slechts een klein groepje mensen weet, hoe bewogen deze periode in feite is geweest en het is voor de generatie van vandaag toch goed, daar eens kennis van te nemen.

Die kennismaking zou een zekere onverschilligheid, die men bij de jongeren helaas nogal eens aantreft, misschien kunnen doen veranderen in een bescheiden waardering. Want die is hier zeker gemotiveerd.

Lijst van commissarissen en oud-commissarissen van de oprichting af.

Zittingsperiode
Namen Van Tot Aantal jaren
R. Bakker 8-4-1929 30-4-1931 2
W.P. Koning 8-4-1929 30-4-1931 2
P. Houtman 8-4-1929 30-4-1932
1-5-1938 30-4-1940 5
S. Bleeker 1-5-1931 30-4-1933 2
P. Waal 1-5-1931 30-4-1934
1-5-1935 30-4-1938 6
L. Kreuger 1-5-1932 30-4-1935
1-5-1938 30-4-1941 6
K. Eyssen 1-5-1933 30-4-1936 3
Jac. Klaver 1-5-1934 30-4-1937 3
Jac. Noome 1-5-1936 30-4-1939 3
Jac. Hartog 1-5-1937 30-4-1940
1-5-1941 30-4-1945 7
P. van Beers 1-5-1938 30-4-1941 3
W. Kool 1-5-1939 30-4-1942 3
W. Jongens 1-5-1940 30-4-1943
1-5-1945 30-4-1950 8
T.D. Wijhenke 1-5-1940 30-4-1943 3
W.J. de Wildt 1-5-1941 30-4-1946 5
J. Scheringa Dzn. 1-5-1942 30-4-1947 5
C. van Baar 1-5-1943 30-4-1949 6
Jac. Stolp 1-5-1943 30-4-1948 5
P. Bus Mzn. 1-5-1946 30-4-1951 5
P. Mul 1-5-1947 30-4-1952 5
A. IJff 1-5-1948 30-4-1953 5
N. Groot  1-5-1949 14-2-1954 +/- 5
IJ. Schoenmaker 1-5-1950 30-4-1955 5
P. Knip 1-5-1951 4
D. Blokdijk 1-5-1952 3
P. Slooten 1-5-1953 2
N. Bleeker 1-5-1954 1
C. Bus 1-5-1955

 

Welzeker, achteraf kan men nu zeggen, dat het, vooral in den beginne, wel beter had gekund, zodat die pijnlijke operatie in 1935 niet noodzakelijk was geweest. Laten de critici voorzichtig zijn en er voor waken, dat van hen over 25 jaar niet hetzelfde kan worden gezegd.

Ook thans zijn er velen, die zich slechts met de grootste moeite aanpassen aan de veranderende omstandigheden.

Hoeveel moeilijker hadden de oprichters het in die tijd van langdurige depressie. Eigenlijk kon er letterlijk niets gebeuren. In het schemerlicht van die crisistijd gezien, kunnen wij respect hebben voor wat toen tot stand is gekomen en met vallen en opstaan tenslotte tot groei en bloei is gebracht. En te gemakkelijker valt ons dit, als wij nu onze mooie, gezonde zaak zien.

Gezond als cooperatie, up to date als bedrijf.

Daarom een saluut aan de bestuurders uit die zorgvolle kinderjaren en aan degenen, die hun beste krachten gaven aan de verdere opbouw.

Van het ogenblik af, dat men tot het inzicht was gekomen, dat een zuivelfabriek naast een bestuur met gezond verstand ook goede leiding behoefde op technisch, commercieel en administratief terrein, is het goed gegaan.

Het bestuur van die dagen is zo gelukkig geweest voor die leiding een man aan te trekken, die bereid was alles wat hem aan kennis en werkkracht ter beschikking stond, te geven voor de jonge zaak. En deze directeur had het voorrecht een medewerker te treffen, die het steeds groeiende administratieve en organisatorische werk voorbeeldig verzorgde.

 

Directeur Prikken en boekhouder Bekhof beleven bij het jubileum van ons bedrijf een hoogtijdag bij uitstek. Hulde aan de beide mannen, die van deze boerenzaak hun levenswerk maakten en ons thans een werkstuk presenteren, dat gezien mag worden.

 

In die hulde laat ik, naast de overige medewerkers in ons bedrijf, ook delen beider echtgenoten, die zo dikwijls meehielpen en vaak het vergeten slachtoffer waren van de werkdrift hunner mannen.

25 jaar de tijd - 090a blz87

J. Bekhof
Verzorging van het administratieve en organisatotische werk

En als wij dan straks met deze terugblik en met deze betuiging van dankbaarheid voor het bereikte, dit 25-jarig tijdvak afsluiten, treden wij in het heden en keren wij ons gezicht, het kan niet anders, naar de toekomst.

Het kan niet anders, want besturen is vooruitzien.

Wat in het heden wordt gedaan, is goeddeels bepalend voor de toekomst. En daarom is er altijd werk, veelzijdig werk!

25 jaar de tijd - 091a blz88

De mechanisering van de melkontvangst vraagt de aandacht.

In de eerste plaats vraagt het bedrijf de aandacht. Op dit ogenblik speciaal de magazijn- en garageruimten en de modernisering-mechanisering van de melkontvangst.

Voorts onze sociale taak; urgent zijn woonruimtevoorziening en het inrichten van een goed schaftlokaal met kleed- en wasgelegenheid.

Dan het organisatorische werk naar binnen en naar buiten. Naar binnen: het op peil houden van de ledenstand, het bevorderen van goede onderlinge verhoudingen door gedegen voorlichting van de leden met alle daartoe dienstige middelen. Vervolgens het bevorderen van goede verhoudingen met het personeel en van het personeel onderling. Voorts het in eendrachtige samenwerking met de andere deelgenoten verder opbouwen en uitbouwen van „De Combinatie”.

Naar buiten: het onderhouden van goede betrekkingen met gemeentebestuur, waterschapsbestuur, zusterorganisaties, top, organisaties, de verschillende diensten van die organen en niet te vergeten afnemers en leveranciers.

Een veelzijdige taak, waarvan men zich kan afvragen, of een bestuur van boeren dit áán kan. Er zijn er, die zeggen van niet. Dit is één van de oorzaken, dat velen tegenwoordig wat weifelend tegenover de cooperatie staan.

Het geval wordt ze te groot, te onoverzichtelijk en dat wekt wantrouwen. Ze kopen wel een aandeel in een zaak van welks bestaan ze niet anders weten dan de naam, die ze in de beursnotering voorkomen. Maar de zaak in hun onmiddellijke nabijheid, waarvan de deur dagelijks voor hen openstaat, vertrouwen ze niet. Wonderlijk! En inconsequent.

 

Gelukkig is er nog een meerderheid die inziet, dat de coöperatie haar plaats waard is en in haar ontwikkeling gelijke tred moet houden met de vooruitgang van de gehele maatschappij.

En voorzover de cooperatie de belangen heeft te behartigen en te verdedigen van de boerenstand, dient zij door boeren te worden bestuurd. Door boeren met voldoende karakter om het vertrouwen van de grote meerderheid der leden te kunnen genieten, zonder dat dus de vrees behoeft te bestaan, dat zij van dit

vertrouwen misbruik zullen maken. Door boeren ook met voldoende vakkennis en genoeg algemene ontwikkeling om de tekenen des tijds te verstaan en met zoveel gezond verstand, dat zij begrijpen niet alles zelf te kunnen, maar bepaalde taken moeten opdragen aan specialisten.

En deze specialisten moeten op hun beurt aan precies dezelfde eisen voldoen als de bestuurders.

Zij moeten vakkennis bezitten, maar daarnaast ook volkomen betrouwbaar zijn als mens.

Als bestuurders en specialisten, directeuren, chefs, administrateurs aan deze eisen voldoen, zullen zij elkaar vinden en met elkaar iets goeds maken van de hen opgedragen taak.

Dan kunnen wij de toekomst rustig en vastberaden tegemoet gaan. Niet eigenwijs vasthouden, wat wij nu eenmaal zo best vonden, maar steeds aanpassende aan de veranderende methoden en opvattingen. Misschien betreurend, dat veel, waaraan tijd en zorg en arbeid is besteed, na betrekkelijk korte tijd weer versleten of verouderd blijkt te zijn, maar steeds verbeterend en vernieuwend voortwerkend.

Allen, die direct of indirect bij onze Coöperatieve Zuivel-fabriek „De Tijd” zijn betrokken, hebben hier een morele verplichting en een daadwerkelijke taak.

Moge God aan die allen lust, kracht en vertrouwen schenken om in de best mogelijke onderlinge samenwerking die taak te vervullen.”

25 jaar de tijd - 094a blz91

COLOPHON

Tekst: J. BEKHOF
Bijdragen van: K. HOGETOORN Dzn. en P. KNIP
Foto’s: M. M. BEKHOF-HARTOG
Illustraties: HENK TOL en NEL HOUTMAN
Druk: N.V. DRUKKERIJ DE EENDRACHT – SCHIEDAM

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.