Het Polderhuis van de Starnmeer

Gepubliceerd in 'West-Frieslands Oud en Nieuw'; 1944
Geschreven door door Evert Besse
Bron: West-Frieslands Oud en Nieuw

Wie van De Rijp zuidwaarts gaat en voor zijn wandeling den hoogen Beemsterdijk kiest, ziet naar links uit over de strenge straklijnige Beemster, waarin de gezichtseinder wordt afgesloten door de beplante wegen en de boerderijen, die meestal geheel in het groen verscholen liggen. Naar rechts gaat de blik over het leege en wijde Schermereiland en het land daarachter, dat weer zijn grens heeft in de verre, blauwe duinen. Twee geheel verschillende werelden.

Na een half uur te hebben gewandeld komt men aan wat een verbreeding van de Beemsterringsloot lijkt. Dit is geen verbreeding van de Beemsterringsloot, maar de oostelijke helft van wat eens geweest is het Spyckerboor. In oude tijden vloeide de Zaan uit in de Starnmeer en het Kamerhop en liep verder door het Spyckerboor naar de Bamestra, later verwijd tot de Beemster. In 1637 werd een plempdijk aangelegd door het Spyckerboor, de tegenwoordige dijk van het Kamerhop, waardoor dit in tweeën verdeeld geraakte.

Men ziet dan op korten afstand voor zich een gebouw, dat van baksteen is opgetrokken en van wat weidscher voorkomen is dan de andere behuizingen. Het is het eenige, dat in een wijderen omtrek opvalt. Inderdaad heeft het een bijzondere bestemming. Het is het Polderhuis of Heerenhuis van de Starnmeer, juister, van het waterschap Starnmeer en Kamerhop.

Het was in 1943 driehonderd jaar geleden, dat de Starnmeer werd drooggemaakt, aanleiding dus om bij deze gebeurtenis een oogenblik stil te staan. De Starnmeer was het kleinste van de drie meren, die het Schermereiland omsloten; het land met het oude dorp Schermer daarop, dat daardoor inderdaad het karakter van eiland had.

Als alle wateringen en plassen had ook dit meer beteekenis voor de visscherij. Zoo werd in 1543 gesproken van den paling, die uit de Starnmeer in de Langemeer kwam naar de open sluis van de Krommenie en daar gevangen werd. Maar de Starnmeer heeft ook nog een anderen dienst bewezen. Toen in den kortstondigen harden winter van Januari 1575 gevaar bestond, dat de Spanjaarden over het ijs een inval zouden doen in het hart van Noord-Holland, werd door het geheele Noorderkwartier een bijt gehakt, die van de Vuyle Gracht met een boog over de Starnmeer naar het Spyckerboorsgat liep. Bij open water kruisten eenige galeien op het meer ter bescherming van het Schermereiland.

De Starnmeer had ook groote beteekenis als onderdeel van Schermerboezem, een beteekenis, die nog grooter werd, toen door het droogmaken van verschillende meren de boezem hoe langer hoe meer inkromp. Toen dan ook octrooi aangevraagd werd voor de droogmaking van de Starnmeer, kwam het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen van Kennemer land en West-Friesland daar ernstig tegen op, hetgeen de plannen echter niet heeft kunnen tegenhouden.

Ten slotte bewees de Starnmeer nog belangrijke diensten uit een oogpunt van verkeer. Het was vooral Alkmaar, dat hierbij betrokken was, want de scheepvaart van Alkmaar naar Amsterdam, die zeer uitgebreid was, ging over de Starnmeer naar de Zaan en zoo verder naar Amsterdam. Alkmaar zag daarom liever, dat dit meer voor het verkeer behouden bleef dan dat het aangewezen was op betrekkelijk smalle vaarten. Er is hier een belangrijke tegenstelling, waardoor de ernstige wrijvingen ontstonden, toen later de bedijking ter hand genomen werd.

De droogmaking van de Starnmeer is een onderneming ge weest van De Rijp, zooals die van de Wormer er een was van Purmerend. De Rijp hoopte daardoor inkomsten te verkrijgen voor kerk en armen. Het was in snelle opkomst en zoo heeft waarschijnlijk een zekere plaatselijke trots er ook toe bijgedragen zich op dit gebied te gaan begeven.

Het octrooi is den 30en Maart 1632 verleend. Daarvoor had de plaats nog een overeenkomst aangegaan met Alkmaar, om met geen enkele werkzaamheid, zonder toestemming van Alkmaar, te beginnen. Dit moest zich natuurlijk later wreken.

In het octrooi werd de verwachting uitgesproken, dat de bedijking in vier jaar gereed zou komen, zooals bij droogmakerijen min of meer regel was geworden .Maar toen de eerste vier jaren voorbij waren, was nog hoegenaamd niets gedaan. Wel had De Rijp aanstalten gemaakt met bepaalde werkzaamheden te beginnen, maar Alkmaar gaf daartoe geen toestemming. Het omgekeerde deed zich ook voor. Het was niet de bedoeling van de bedijkers, ook aan de noordzijde een ringsloot te graven, waardoor het geheele werk aanzienlijk goedkooper zou zijn. Toen kwam Alkmaar, bijgestaan door Purmerend, Edam en Monnikendam, in 1635 met den wensch, ook aan de noordzijde, ter wille van de scheepvaart, een ringsloot te graven. De bedijkers verzetten zich met hand en tand daartegen.

In 1636 werd de aanleg van een ringdijk en ringsloot ter hand genomen, waarvoor Leegwater het bestek had gemaakt. Toen dat werk in het voorjaar van 1637 grootendeels gereed was gekomen, troffen de bedijkers de eerste voorbereidingen voor den aanleg van de ringvaart aan de westzijde. Dat stuitte echter op zoodanigen onverwachten tegenstand van de zijde van Uitgeest, dat in dit verzet gestijfd werd door Alkmaar, dat men de voortzetting van het werk stop zette. Daarbij kwam, dat Leegwater in die dagen een begrooting opmaakte voor het geheele werk, die zeer ongunstig uitviel. Het gevolg is geweest, dat een zoodanige ontmoediging intrad, dat een ernstige crisis volgde en het er naar uitzag, dat de bedijking stop gezet zou worden. De Rijp trok zich terug en de belangrijkste ingelanden traden daarop naar voren. Dat waren Hoorn, Enkhuizen, Purmerend, Monnikendam en de jonge Jonkheer Reynier Pauw, uit Amsterdam, die ook optrad namens zijn maagschap. Deze vormden in 1638 een nieuw College van Hoofdingelanden, dat het werk weer opvatte. De onderneming was inmiddels hiermede geheel van karakter veranderd, en was een particuliere geworden. Het eerste, wat de nieuwe bedijkers aan de orde stelden, was het graven van de ringvaart aan de westzijde. Het zou echter al spoedig blijken, dat zij voor even groote moeilijkheden kwamen te staan als de vorige bedijkers. Ook zij waren gebonden aan het contract met Alkmaar.

In Juni 1639 kwam Alkmaar plotseling met den ongehoorden eisch, dat aan de nieuwe ringvaart een breedte gegeven zou worden van 24 roeden, terwijl de bedijkers tot niet meer dan 16 roeden verplicht waren. Natuurlijk verzette de Starnmeer zich hier krachtig tegen. Een geheel jaar ging verloren met de oplossing van dit geschil. De oplossing was ten slotte deze, dat een vaart gegraven zou worden van 21.5 roeden. Maar de vaart zou tegelijkertijd dienen als uitwatering voor de Schermer, waarvoor de Schermer 15.000 gulden in de kosten zou bijdragen. Het bestek voor dit werk is van den 5en Augustus 1640. Dit is echter niet meer het werk van Leegwater geweest. Leegwater, die zulk een belangrijk aandeel gehad heeft aan het werk van de bedijking, heeft in dezen tijd De Rijp verlaten, om zich in Amsterdam te vestigen.

Nu moest nog het vraagstuk van de ringsloot aan de noordzijde opgelost worden. Dat heeft ook weer eindelooze moeilijkheden veroorzaakt, maar ten slotte waren de bedijkers toch wel genoodzaakt aan den wensch van Alkmaar te voldoen. Het gevolg is geweest, dat een ringsloot ontworpen is van het Spyckerboor naar de Vuyle Gracht ten zuiden van de Oosterbuurt. Hierdoor is het Kamerhop van de Starnmeer gescheiden. Toen de bedijkers in 1641 bezig waren met het werk af te maken, kwam Alkmaar plotseling weer tusschenbeiden, om het te beletten. De bedijkers meenden den ringdijk te kunnen maken door het noordelijk deel van het Vinkhuizerhop, zoodat slechts een kort stuk plempdijk noodig was. Alkmaar kwam er tegen op, dat op die wijze een bocht in de ringvaart zou ontstaan en verlangde een rechte vaart. Dit beteekende voor de bedijkers, dat de plempdijk door het hop langer zou worden, waardoor ook de kosten zouden stijgen. De bestuurders van de Starnmeer waren wel genoodzaakt aan dezen eisch te voldoen, zoodat opnieuw een jaar verloren ging. De ring kon dus niet op het einde van 1641 gesloten worden. Dit is eerst geschied op het einde van 1642.

Om de vaart over het meer zoo lang mogelijk te kunnen volhouden, werden tot het laatste oogenblik enkele openingen in de dijken gelaten. De bedijkers hebben de gaten eerder gedicht dan Alkmaar wenschte. Zelfs hebben de burgemeesters van Alkmaar er ernstig over gedacht deze weer open te maken onder bescherming van de gewapende macht. Er was met verloop van tijd onder de bedijkers een stemming van groote verbittering ontstaan en er was alle reden te verwachten, dat zij er zich tegen zouden verzetten, dat de gaten opnieuw werden geopend. Zoo hadden zich ten slotte op de dijken van de Starnmeer nog bloedige tooneelen kunnen afspelen. Daarop hebben de heeren van Alkmaar het toch niet durven laten aankomen.

Op 1 October 1642 begonnen vier molens de Starnmeer en één molen het Kamerhop droog te malen. Twee van deze molens zijn vijzelmolens geweest, een uitvinding van dien tijd van Sijmen Hulsebos. Waarschijnlijk is deze nieuwe vinding voor het eerst in de Starnmeer toegepast. Het volgende jaar viel het meer langzamerhand droog en kon begonnen worden den nieuwen polder voor cultuur en bewoning gereed te maken. Den 27en Augustus 1643 greep de verkaveling plaats in het Raadhuis van De Rijp. De leden van het Amsterdamsche geslacht Pauw bezaten meer dan een vierde gedeelte van de Starnmeer. Dit was een zeer kapitaalkrachtig geslacht, hetgeen er stellig veel toe heeft bijgedragen, dat de bedijking toch eindelijk tot stand kon komen, want de onderneming is zeer duur geworden. De kosten hebben 720 gld. per morgen bedragen en in dat bedrag zijn niet alle uitgaven verrekend. Voor de bedijkers moet men de diepste bewondering hebben. Zij zijn de eindelooze moeilijkheden te boven gekomen met een ijzeren doorzettingsvermogen, waarmede in hen de beste eigenschappen van het Noordras tot uitdrukking kwamen. Men kan zonder tegenspraak zeggen, dat de geschiedenis van deze bedijking er eene geweest is van dramatische bewogenheid.

Dat de verkaveling plaats greep in het Raadhuis van De Rijp, waar te voren reeds zoovele vergaderingen waren gehouden, vindt zijn verklaring daarin, dat De Rijp ook na 1637 nog in aanzienlijke mate bij de bedijking betrokken was. Geldelijk en door het feit, dat de dagelijksche bestuurders van de Starnmeer aanzienlijke burgers van De Rijp waren. De eerste dijkgraaf, die reeds in 1637 overleed, was heelmeester en lid van de vroedschap. Dat was mr. Steven Bosch. De tweede dijkgraaf, Frans Jacobs, was zelfs schout van De Rijp. Ook de heemraden behoorden tot de aanzienlijke ingezetenen.

Nu zou men verwachten, dat, toen na de verkaveling de polder verder gereed gemaakt werd om zijn bewoners te ontvangen en een eigenlijk polderbestuur zijn werkzaamheden kon aanvangen, een van de eerste zorgen geweest zou zijn: het bouwen van een polderhuis. Dat schijnt echter niet het geval geweest te zijn. Den 15en December 1643 werd vergaderd, maar in De Rijp. Elk jaar werd daar regelmatig vergaderd, zooals de kavelconditiën voorschreven. Artikel 25 luidde als volgt: Is oock goet gevonden ende geaccordeert, dat jaerlijckx op den eersten Dinsdagh in April op ’t Raethuys in De Rijp de reeckeningh van de gemene Dyckagie sal worden gedaen, ten overstaen van Hooft ende gemene Ingelanden die daer gelieven tegenwoordigh te zijn. Bij naerder Resolutie van de Heeren Hooft-Ingelanden, is nu vastgestelt om te houden alle jare op den eersten Dinghsdagh voor den 25 April.”

Van 1644 tot 1651 zijn deze rekeningsdagen regelmatig gehouden, zonder dat vermeld is, waar het geschiedde. Dat was ook feitelijk overbodig. Indien het er niet bij vermeld werd, zijn de vergaderingen natuurlijk in De Rijp gehouden. Totdat onverwachts in 1652 de mededeeling volgt – er stond verkeerdelijk 1651 – dat den 22en April van dat jaar vergaderd werd “in ’t Heerenhuys van de Starnmeer”. In 1652 was er dus een Heerenhuis, d.w.z. een Polderhuis. Het is echter niet zoo, dat de vergaderingen nu voortaan regelmatig daarin worden gehouden. Zoo werd den 22en April 1653, “de gewoonlijke rekendag” weer in De Rijp gehouden. Maar den 20en April 1654 volgde de gewoonlijke rekendag weer in de Starnmeer, hetgeen natuurlijk zeggen wil: in het Heerenhuis van de Starnmeer. Dan volgt weer een reeks van jaren, waarin de vergaderingen plaats grepen in De Rijp, want dat is natuurlijk het geval geweest, wanneer het niet uitdrukkelijk vermeld werd. Het vergaderen in het Heerenhuis van de Starnmeer was dus betrekkelijk zeldzaam en dat in De Rijp bleef regel. Het laatste zal gebeurd zijn, in de eerste plaats, omdat het nu eenmaal voorschrift was en in de tweede plaats, omdat de reisgelegenheid in die dagen moeilijk was en de Hoofdingelanden uit Amsterdam, Hoorn en Enkhuizen alleen in De Rijp een behoorlijk onderdak vonden. Welke bijzondere redenen er geweest zijn om een enkele maal de vergadering in het Polderhuis van de Starnmeer te houden, blijkt uit de bescheiden niet.

Of het Heerenhuis, dat er dus in 1652 was, in 1651 of daarvoor gebouwd is, is niet met zekerheid te zeggen. In de Resolutiën van Hoofdingelanden is daaromtrent niets te vinden, noch is een bestek van het gebouw aanwezig. De aangewezen plaats voor het Heerenhuis was Spyckerboor, ook al in verband met het verkeer.

De Starnmeer heeft, wanneer men het zuidelijke aanhangsel ,,de oude Saen” of ,,Butteroort” buiten beschouwing laat, den vorm van een vierhoek, die door den Middelweg in tweeën gedeeld wordt. Het verkeer moest een uitweg hebben in de richting van Alkmaar en Purmerend, als de twee belangrijke marktsteden in de omgeving, waarvan Purmerend het gemakkelijkst was te bereiken. Voor het verkeer naar Alkmaar werd van den Middelweg af noordwaarts een zijweg ontworpen in de richting van het dorp Graftdijk. Alkmaar had hierin ingevolge de met de Starnmeer gesloten overeenkomst mede te beslissen. Deze weg kreeg den naam van Graftdijkerweg. Voor het verkeer naar Purmerend werd de oostelijke ringdijk gebruikt van den Middelweg af tot het tegenwoordige Spijkerboor. Den 5en April 1644 werd besloten voor den overtocht aan het eind van den Graftdijkerweg en te Spijkerboor een schouw in te leggen en een veerhuis te bouwen. Aan het eind van den Graftdijkerweg werd men dan overgezet naar den dijk van het Schermerland, die dan verder gevolgd werd tot even benoorden Graftdijk, waar een brug het Schermereiland met de Schermer verbond.

Uit een klacht van lateren tijd, over den oprit, valt af te leiden, dat het schouw van Spijkerboor menschen en voertuigen overzette naar den Beemsterdijk, hetgeen bij stormachtig weer niet zonder gevaar was, zoodat dan ook wel eens menschenlevens verloren gingen. Op deze wijze gingen de boeren uit de Starnmeer met hun kaas naar de markt te Purmerend. Intusschen is het mogelijk, dat veerhuis en Heerenhuis één geweest zijn, zooals dat tegenwoordig het geval is. In dat geval zou dus het Polderhuis reeds in 1644 gebouwd zijn.

Het tegenwoordige Heerenhuis is niet meer het oorspronkelijke. In 1787 is n.l. besloten een nieuw te bouwen op de fundamenten van het oude, waaruit de gevolgtrekking te maken valt, dat het oorspronkelijke Polderhuis van dezelfde afmetingen geweest moet zijn als het tegenwoordige. Misschien is het oude bouwvallig geworden, hoewel het nog niet zoo lang had gestaan. Uit de documenten blijkt dit echter niet. Blijkens een bestek van 1789 werd het nieuwe Polderhuis ook wel ,,het jagthuis” of ,,rechthuis” genoemd.

Het tegenwoordige Heerenhuis is een eenvoudig gebouw van één verdieping, met de voorzijde naar de Beemster gekeerd. In den gevel tusschen twee vensters is een hardsteenen plaat aangebracht, die het wapen van de Starnmeer bevat, omgeven door een festoen en een opschrift, dat een herinnering is aan het ontstaan van het gebouw in 1787. Het luidt als volgt:

Simon Appel Dijck Graaf
Willem Bek – Claas Glasekas
Heem – Raden
Jan Heynes Penningmeester
’t Heyl van de Starnmeer
is de Steun van mijn Bestaan
Dat ’t Haar Bestuurders
en Bewoners Wel mag gaan
Moet Elk Weldenkend Mensch
als een goed Christen wenschen
Gods Hand Bescherm dit Huys
en Haav en Vee en Menschen
J. HEYNES.
De eerste steen geleyt door Ad. Bloem.

Het wapen van de Starnmeer vertoont in een cartouche twee starns boven een golvend watervlak en een zespuntige ster in het bovenvlak. Deze ster is de zoogenaamde zesster of hagalrune, een onheil afwerend symbool als heilsrune. Het is een van oudsher afwerend teeken, of wel een als versieringsmotief ontelbare malen voorkomend heilsteeken, m.a.w. geluk-aanbrengend volgens oude Germaansche begrippen. De cartouche is bekroond met een derde starn.

Dit wapen laat zich gemakkelijk verklaren. In de Starnmeer bevond zich aan de oostzijde een langgerekt eiland, dat natuurlijk een uitgezochte broedplaats geweest is voor vogels, waaronder de starns waarschijnlijk het veelvuldigst voorkwamen. Er is geen enkele aanwijzing voor het ontstaan van dit wapen of omtrent den tijd, waarin het ontstond. Het vertoont zich het eerst op de kaart van de Starnmeer van Nicolaas Stierp, die men meende dat geteekend was in 1643, maar die in werkelijkheid in 1658 vervaardigd is. Toen voerde de jonge polder het wapen dus reeds.

Velen hebben het Polderhuis aanschouwd, die te Spijkerboor overgezet werden over wat sedert 1830 is het Noordhollandsch Kanaal en waardoor de oorspronkelijke toestand weer min of meer is gewijzigd. Want niet alleen de bewoners van de Starnmeer maken van het veer gebruik, maar allen, die van de Zaanstreek naar het noorden gaan, of die omgekeerd naar de Zaanstreek reizen. Zij zullen gezien hebben, dat het Polderhuis aan de oostzijde nog een uitbreiding heeft ondergaan door een houten aanbouw op een steenen onderbouw. Het is de woning van den pachter van het veer, die in het gebouw tegelijkertijd een koffiehuis drijft. Achter in het gebouw bevindt zich het ruime vertrek, dat de zetel is van het waterschapsbestuur.

Het Heerenhuis is ook nog de bewaarplaats van het wel-geordende archief van den polder, dat zeer waardevol is, ook om het feit, dat het vele handschriften van Leegwater bevat.

Geplaatst op: 14 maart 2024
Martijn Jongens

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *